|
Huisorgel Johan Groen |
|
|
|
|
|
Johan Groen achter het Hill-orgel |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Dispositie (Volgorde vanaf het front, alle pijpen op de lade)Great
(I) C- f3 Couplers:
|
| Over het Hill-orgel schrijft Johan Groen: | |
|
Datering en herleiding bouw. 2 foto’s zijn genomen bij de vorige eigenaar te Harmelen. Enkele opvallende verschillende tussen toen en nu zijn waar te nemen. Ze zullen voor zich spreken. De afsluitende klavierdeurtjes moeten op dit moment nog steeds worden aangebracht. De ‘nieuwe’ kaarsenkandelaars zijn van een sloopharmonium van ca 1900. Niet te zien op de eerste 2 foto’s is de (twee-componenten?) laklaag die in de jaren ’70 is aangebracht. Deze laag is (op de bank na) geheel verwijderd. Een enorme klus maar dat hoort nu eenmaal bij het restauratie. Na restauratie van kapotte kasdelen, intarsia e.d. is politoer aangebracht. Dit hoort niet onmiddellijk op meubels van ca. 1800, maar het houtoppervlak had teveel geleden van de laklaag en cosmetisch is het orgel er duidelijk van opgeknapt. De dummy frontpijpen (ze zijn van hout en aan de achterzijde plat!) moeten nog worden ontdaan van ‘goudverf uit de spuitbus’ en opnieuw worden verguld zoals het een echt engels orgel betaamt. Op een plaatje dat bij aankoop was bevestigd aan het front staat vermeld ‘W. Hill London’. Dat plaatje bleek na aankoop nieuw (´vervalst’) te zijn. Op de plaats waar het is bevestigd heeft een ander plaatje gezeten. Niet uitgesloten is dat de firma Hill bemoeienis met het instrument gehad zou kunnen hebben. Zo zijn o.a. de bakstukken typisch Hill, maar geeft het binnenwerk weinig prijs m.b.t. naam inscripties of andere aantekeningen. Op de toetsarmen van de hoogste toetsen staat de naam van een toeleverancier ingeslagen (R.W. Clark), maar deze zal best ook aan andere orgelmakerijen geleverd hebben. Verwarrend in de naamgeving ´W. Hill´ in het licht van twee herkenbare ´bouwfasen´van het instrument. Deze bouwfasen vallen duidelijk niet in het tijdsbestek waarin William Hill werkzaam was. William startte zijn carriere in 1825 samen met Robert Elliot als ´Èlliot & Hill´. Na de dood van Elliot in 1832 veranderde de naam in ´Hill`. In 1837-8 heette het bedrijf nog even ´Davison & Hill´ en in 1856 wijzigde de firmanaam in `Hill & Son`. In 1870 stierf William en zette zoon Thomas het bedrijf voort onder dezelfde naam. Pas in 1916 fuseerde (Arthur) Hill met Norman & Beard. Aanknopingspunten voor de datering van de bouwfasen zijn: 1. De kas. Een herkenbaar type voor Chamber Organs van rond 1800. Voorbeelden zijn orgels van J. & G.P. England (The Iveagh Bequest, Londen, 1790) en van diens compagnon Hugh Russell (privé bezit Engeland, 1792). Zie foto´s onderaan. 2. Het binnenwerk en de klaviatuur. In de oude kas (met uitsluiting van de achterwand) is o.a. met gebruikmaking van ouder materiaal een twee-klaviersorgel (eigenlijk een 1¾-klavier) gebouwd. Aan de achter(-buiten)zijde werd een pneumatisch pedaallade geplaatst voor een Bourdon 16’. Dhr. Henk Kooiker schatte deze ombouw in op grofweg 1900, gezien details in de mechaniek, de registerknoppen en –schildjes (harmoniums!) en de bouwwijze van de houten pijpen van de Open Diapason 8´. Kortom: `Hill & Son´ zou kunnen, maar ´W. Hill´ lijkt me niet te verdedigen. |
|
|
Tekst en foto's: met dank aan Johan Groen |
|
|
|
|