Villingen, Evangelische Johanneskirche

Bron foto: Ansichtkaart

In 1980 bouwde Georges Heintz opus 50. Een nieuw tweeklaviers orgel met mechanische tractuur en sleepladen voor de Johanneskirche te Villingen (Baden-Württemberg). Bij de bouw zijn verschillende onderdelen van oudere orgels gebruikt. De hoofdwerkkas en de windladen van het hoofdwerk zijn, evenals een deel van het pijpwerk, afkomstig van een orgel van Schildknecht & Bergmann uit 1838 dat gebouwd was voor de kerk van Sulzburg. Uit het vorige orgel van de Johanneskirche werd ook pijpwerk overgenomen. Dit is voor een gedeelte van Voit, eind negentiende eeuw, en voor een gedeelte van Weigle, 1939. Het rugpositief is op de frontpijpen na in een zwelkast geplaatst.

Dispositie:

Hauptwerk: C – g3 Bourdon 16′ – deels 1838, Principal 8′ – deels 1838, Rohrflöte 8′ – 1838, Salicional 8′ – deels 1838, Oktave 4′ – 1838, Spitzflöte 4′ – 1838, Quinte 2 2/3′ – 1838, Oktave 2′ – 1838, Terz 1 3/5′, Cornet 5 fach, Mixtur 4 fach (1 1/3′), Trompete 8′.
Rückpositiv: C – g3 Gamba 8′ – deels Voit, Bourdon 8′ – deels 1838, Principal 4′, Flûte Octaviante 4′ – Voit, Flageolet 2′, Larigot 1 1/3′, Sifflet 1′, Zimbel 3 fach (2/3′), Hautbois 8′, Cromorne 8′, Tremulant.
Pedal: C – f1 Violon 16′ – 1939, Subbaß 16′ – 1939, Oktavbaß 8′ – 1939, Hohlflöte 4′ – Voit, Hintersatz 4 fach (2′), Bombarde 16′, Trompete 8′, Clairon 4′, Tremulant.
Couplers: Hauptwerk – Rückpositiv, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Rückpositiv.