Marburg, Lutherische Pfarrkirche Sankt Marien

Foto’s: Wim van der Kooij © 2026

In 1722 heeft Johann Nikolaus Schäfer een nieuw mechanisch sleepladen-orgel gebouwd voor de Marienkirche te Marburg. Het instrument is in 1863 door F. Krebaum, orgelmaker te Eschwege, verbouwd.

De firma Karl Schuke bouwde in 1969 een nieuw binnenwerk in de oude kas. Het orgel is in de loop der jaren enigszins gewijzigd en uitgebreid. Tussen 1984 en 1989 werd de Septime 1 1/7′ van het Schwellwerk gewijzigd in een Oktävlein 1′. In 2001 bleek het instrument te zijn vergroot met vier stemmen, terwijl ook enkele wijzigingen waren doorgevoerd. Nieuwe registers zijn op het Positiv de Quinte 1 1/3′ en de Vox Humana 8′, op het Hauptwerk de Fagott 16′, op het Schwellwerk de Flöte 1′ (in plaats van het Oktävlein) en op het Pedal de Rauschpfeife.

Het orgel is in 2015 gerestaureerd door de firma Freiburger Orgelbau H. Späth. De intonatie is nagelopen, de windstabiliteit verbeterd en verder is een Bordun 16 op het Hauptwerk aan de dispositie toegevoegd en is de Clairon 4′ van het Schwellwerk opgeschoven en aangevuld tot een Trompete 8′. Het sleepladen-orgel heeft mechanische toetstractuur, elektrische registertractuur, 56 stemmen, 3 manualen en een vrij pedaal.

Dispositie:

HAUPTWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Quintade 16′, Bordun 16′ – 2015, Principal 8′, Rohrflöte 8′, Spielflöte 8′, Oktave 4′, Nachthorn 4′, Nasat 2 2/3′, Oktave 2′, Waldflöte 2′, Mixtur 5-6 fach (1 1/3′), Scharff 3-4 fach (1/2′), Fagott 16′, Trompete 8′, Tremulant.
POSITIV (C – g3) 56 TOETSEN: Gedackt 8′, Quintade 8′, Principal 4′, Koppelflöte 4′, Rohrquinte 2 2/3′, Oktave 2′, Gedackt 2′, Quinte 1 1/3′, Sifflöte 1′, Sesquialter 2 fach (1 3/5′), Scharff 4-5 fach (1′), Krummhorn 8′, Vox Humana 8′, Tremulant.
SCHWELLWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Rohrflöte 16′, Holzprincipal 8′, Spitzgedackt 8′, Schwegel 8′, Principal 4′, Flöte Douce 4′, Quintflöte 2 2/3′, Oktave 2′, Nachthorn 2′, Terz 1 3/5′, Quinte 1 1/3′, Flöte 1′, Mixtur 5 fach (2′), Dulcian 16′, Oboe 8′, Trompete 8′ – 1969/2015.
PEDAL (C – f1) 30 TOETSEN: Principal 16′, Subbaß 16′, Quinte 10 2/3′, Oktave 8′, Gedackt 8′, Oktave 4′, Rohrpommer 4′, Bauernflöte 2′, Rauschpfeife 4 fach (5 1/3′), Mixtur 5 fach (2′), Posaune 16′, Trompete 8′, Clairon 4′, Tremulant.
KOPPELINGEN: Hauptwerk – Positiv, Hauptwerk – Schwellwerk, Positiv – Schwellwerk, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Positiv, Pedal – Schwellwerk.
SPEELHULPEN: 4x8x8 Setzerkombinationen.