Foto’s: Stefan Braun (Köln) © 2026
Voor Nederlands: zie onder Duitse tekst
Deutsch:
Die Orgel wurde 1739 von Caspar Franz König (D-Ingolstadt) erbaut. Das Gehäuse ist so entworfen, dass es den Lichteinfall durch die Fenster nicht behindert (was dem Fotografen die Aufgabe nicht erleichtert). Klanglich fällt auf, dass nur 1 Zunge disponiert war (Posaune 16‘). Erst 1878 erfolgte ein eingreifender Umbau im Stil der Zeit durch Max Maerz & Sohn (D-München). Eine erste Restaurierung im seinerzeitigen Verständnis dieses Wortes nahm 1959 Guido Nenninger (D-München) vor. 1987 folgte durch Gerhard Schmid (D-Kaufbeuren) eine umfangreiche Restaurierung, Rekonstruktion und Erweiterung. Von 1739 stammen noch das Gehäuse, die Windladen und beträchtliche Teile des Pfeifenwerks. Schleifladen. Mechanische Spiel- und Registertraktur. IV / 39 P, wobei das I. Manual ein sog. freies Koppelmanual ist.
Nederlands:
Het orgel werd in 1739 gebouwd door Caspar Franz König (D-Ingolstadt). De orgelkast is zo ontworpen dat het licht dat door de ramen naar binnen valt niet wordt geblokkeerd (wat het werk van de fotograaf er niet makkelijker op maakt). Een opvallend kenmerk is dat het oorspronkelijk slechts één tongregister had (Posaune 16’). Een grote verbouwing in de stijl van die tijd werd in 1878 uitgevoerd door Max Maerz & Son (D-München). Een eerste restauratie, in de betekenis die men destijds aan die term gaf, werd in 1959 uitgevoerd door Guido Nenninger (D-München). Deze werd in 1987 gevolgd door een uitgebreide restauratie, reconstructie en uitbreiding door Gerhard Schmid (D-Kaufbeuren). De orgelkast, windkasten en aanzienlijke delen van het pijpwerk dateren uit 1739. Sleepwindladen met mechanische tracturen voor zowel de toetsen als de registers. IV / 39 P, waarbij het eerste manuaal een zogenaamd vrij koppelmanuaal is.
Dispositie:
I. KOPPELMANUAL (C – g3) 56 TOETSEN: Koppel Hauptwerk an I Manual, Koppel Unterwerk an I Manual, Koppel Schwellwerk an I Manual.
HAUPTWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Großkoppel 16′, Prinzipal 8′, Portun 8′, Coppel 8′, Gambe 8′, Quintatön 8′, Oktav 4′, Spitzflöte 4′, Quint 3′, Superoktav 2′, Mixtur Major 4 fach, Mixtur Minor 3 fach.
UNTERWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Coppel 8′, Prinzipal 4′, Fletl 4′, Oktav 2′, Quint 1 1/3′, Cymbel 2 fach, Krummhorn 8′.
SCHWELLWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Rohrflöte 8′, Salicional 8′, Schwebung 8′, Oktav 4′, Traversflöte 4′, Nasat 2 2/3′, Blockflöte 2′, Terz 1 3/5′, Oktav 1′, Plein Jeu 4 fach (2′), Trompette Harmonique 8′, Hautbois 8′.
PEDAL (C – f1) 30 TOETSEN: Prinzipal 16′, Subbaß 16′, Quintbaß 10 2/3′, Oktavbaß 8′, Choralbaß 4′, Mixtur 4 fach (2 2/3′), Posaune 16′, Trompete 8′.
KOPPELINGEN: Koppelmanual, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Schwellwerk.






