Uithuizermeeden, Mariakerk, Hoofdorgel

Foto’s: Wim Verburg © 2002

Het Hoofdorgel van de Mariakerk in Uithuizermeeden (Groningen) is in 1781-1785 gebouwd door Hinsz en Schnitger jr. Hinsz is tijdens de bouw overleden, zodat Schnitger het alleen voltooide. Het vorige zestiende-eeuwse instrument uit de kerk werd door Hinsz in 1781 overgeplaatst naar de Rooms-Katholieke Kerk van Uithuizen. In 1868 werd door N.A.G. Lohman aan het orgel gewerkt. Deze plaatste een pedaalkoppel.

Op initiatief van organist J.W. Dekker, tevens orgelbouwer in Uithuizermeeden, werd door hem samen met Jan Doornbos in de jaren 1906-1910 een verandering doorgevoerd in de dispositie. De Bazuin 16′ en de beide Trompetten 8′ werden vernieuwd en de Dulciaan werd omgebouwd tot een Klarinet. Op het Hoofdwerk plaatsten zij een Salicet 8′ en een Fluit Dolce 4′ in plaats van de Nasard en de Mixtuur. Op het rugwerk kwam een Viola di Gamba 8′ te staan op de plaats van de Sexquialter.

In 1931 vond nog een dergelijke ombouw plaats, nu door L. Verschueren Orgelbouw, maar wel weer in samenwerking met organist Dekker. De Salicet uit 1906 vervingen zij door een Violine 8′, de Woudfluit 2′ werd geplaatst in het orgel van de Hervormde Kerk te Oosternieland, en op die plaats kwam de Octaaf 2′ van het rugwerk, en de Fluit Dolce 4′ uit 1906 werd door een Aeoline 8′ vervangen. Op het rugwerk vervingen Verschueren en Dekker de Gedaktfluit door een nieuwe Fluit 4′, en de Gedaktquint door een Quintadeen 8′. Op de plaats van de verwijderde Octaaf 2′ werd een Salicionaal 8′ discant geplaatst, en de Spitsfluit werd vervangen door een Woudfluit 2′. Als laatste plaatste men een Cello 8′ op het pedaal in plaats van de Nachthoorn 8′.

In de jaren 1966-1970 is het mechanische sleepladen-orgel door Van Vulpen gerestaureerd. Hierbij werd de oorspronkelijke dispositie gereconstrueerd. Verdwenen pijpwerk werd nieuw gemaakt naar voorbeelden van andere orgels van Hinsz. Adviseur bij de werkzaamheden was Lambert Erné. Op 27 maart 1970 is het instrument weer in gebruik genomen waarbij het bespeeld werd door de adviseur. De blaasbalgen van het orgel zijn afkomstig van het Bätzorgel uit Benschop.

In 1995 is de stemmingstemperatuur van het orgel gewijzigd in Neidhardt I. In 1996 verlengde men de bekers van de Dulciaan 8′. In de jaren 2014-2015 heeft de firma Reil een restauratie uitgevoerd. Naast een technische restauratie werd ook de klank van het instrument verbeterd en zijn de balgen verplaatst. De Mixtuur en de Sexquialter werden vernieuwd. Adviseur bij de werkzaamheden was Stef Tuinstra. Het orgel is na Pasen 2014 (20 april) gedemonteerd en overgebracht naar de werkplaats in Heerde, en de werkzaamheden werden in de zomer van 2015 voltooid. De orgelkas is ook gerestaureerd en tevens opnieuw geschilderd .

De dispositie van het Albertus Anthonie Hinsz/Franz Caspar Schnitger jr.-orgel: (1785)

HOOFDWERK (C – d3) 51 TOETSEN: Gedekt 16′, Prestant 8′, Holpijp 8′, Octaaf 4′, Speelfluit 4′, Nasard 3′, Woudfluit 2′, Cornet III sterk (4′) (discant) – 1785, Mixtuur III-IV sterk (1 1/3′) (B/D) – 2015, Trompet 8′ – 1970, Vox Humana 8′ – 1785, Tremulant.
RUGWERK (C – d3) 51 TOETSEN: Fluit Douce 8′ – 1785, Prestant 4′ – 1785, Gedekte Fluit 4′ – 1970, Gedekte Quint 3′ – 1970, Octaaf 2′ – 1785, Speelfluit 2′ – 1970, Sexquialter II-III sterk (1 1/3′) – 2015, Dulciaan 8′ – 1970, Tremulant.
PEDAAL (C – d1) 27 TOETSEN: Bourdon 16′ – 1785, Prestant 8′ – 1785, Gedekt 8′ – 1785, Roerquint 6′ – 1785, Octaaf 4′ – 1785, Nachthoorn 2′ – 1970, Bazuin 16′ – 1970, Trompet 8′ – 1970, Cornet 4′ – 1785.
KOPPELINGEN: Manuaalkoppel – schuifkoppel, Pedaal – Hoofdwerk.
SPEELHULPEN: 3 ventielen, Windlosser, Clavis.

Vulstem: Samenstelling:
Mixtuur III-V sterk (Hoofdwerk) C: 1 1/3′ – 1′ – 2/3′. c°: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 2/3′. c’: 4′ – 3 1 5/’ – 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′. c”: 5 1/3′ – 4′ – 3 1/5′ – 2 2/3′ – 2′.
Cornet III sterk discant (Hoofdwerk) c’: 4′ – 2 2/3′ – 1 3/5′.
Sexquialter II-III sterk (Rugwerk) C: 1 1/3′ – 4/5′. c’: 2 2/3′ – 2′ – 1 3/5′.

Dispositie volgens Knock (1788):

MANUAAL: Gedact 16′, Praestant 8′ (discant dubbelkorig), Holpyp 8′, Octaaf 4′, Speelfluit 4′, Nasat 3′, Woudfluit 2′, Cornet III sterk (discant), Mixtuur III-IV-V sterk (gedeeld), Trompet 8′ en Vox Humana 8′.
RUGWERK: Fluit Douce 8′, Praestant 4′, Gedakt 4′, Gedekt Quint 3′, Octaaf 2′, Speelfluit 2′, Sixquialter II-III sterk en Dulciaan 8′.
PEDAAL: Bourdon 16′, Gedact 8′, Praestant 8′, Rhoerquint 6′, Octaaf 4′, Nagthoorn 2′, Bazuin 16′, Trompet 8′ en Cornet 4′.

Na de verbouwingen van 1910, 1931 was de dispositie:

HOOFDWERK: Gedakt 16′, Prestant 8′, Holpijp 8′, Violine 8′, Aeoline 8′, Octaaf 4′, Speelfluit 4′, Octaaf 2′, Cornet III sterk, Trompet 8′, Vox Humana 8′.
RUGWERK: Fluit Dolce 8′, Viola di Gamba 8′, Quintadeen 8′, Salicionaal 8′ (discant), Prestant 4′, Fluit 4′, Woudfluit 2′, Klarinet 8′.
PEDAAL: Bourdon 16′, Prestant 8′, Gedakt 8′, Cello 8′, Roerquint 6′, Octaaf 4′, Bazuin 16′, Trompet 8′, Cornet 4′.