Barth, Sankt Marien-Kirche

Foto: Henk & Uilkje Veenstra © 2009, Bron www.orgelsitesimon.nl

In 1820/1821 bouwde Johann Simon Buchholz samen met zijn zoon Carl August een groot nieuw mechanisch sleepladen-orgel voor de Marienkirche in Barth (Mecklenburg-Vorpommern. Het kreeg twee manualen en pedaal met 42 stemmen. Het front werd door Buchholz zelf ontworpen, maar is duidelijk geïnspireerd op het werk van Karl Friedrich Schinkel. In 1896 is het orgel door Barnim Grüneberg uitgebreid met een derde manuaal als Schwellwerk. Er werd ook een nieuwe neogotische orgelkas gemaakt. De oude frontpijpen werden in 1917 gevorderd. Deze zijn later vervangen door zinken exemplaren. Het orgel is in 1964 door Eule gereviseerd. Daarna werd het verwaarloosd, zodat het uiteindelijk onbespeelbaar was geworden. Christian Wegscheider restaureerde het in de jaren 2001-2003. Daarbij werd het geheel teruggebracht in de oorspronkelijke staat.

Dispositie:
Hauptwerk: C-f3 Principal 16′, Quintatön 16′, Principal 8′, Viola da Gamba 8′, Rohrflöte 8′, Nasard 5 1/3′, Octava 4′, Gemshorn 4′, Quinte 2 2/3′, Superoctava 2′, Terz 1 3/5′, Cornett 4 fach, Progressiv Harmonica 3-5 fach (2′), Trompete 8′.
Oberwerk: C-f3 Bourdun 16′, Principal 8′, Salicional 8′, Gedact 8′, Octava 4′, Fugara 4′, Rohrflöte 4′, Nasard 2 2/3′, Flageolett 2′, Quinte 1 1/3′, Dezima Quinta 1′, Mixtur 4 fach, Fagott 16′, Fagott 8′ (bas), Hautbois 8′ (discant).
Schwellwerk: C-f3 Lieblich Gedackt 16′, Geigenprinzipal 8′, Viola d’Amour 8′, Flauto Traverso 8′, Aeoline 8′, Fugara 4′, Flauto Dolce 4′, Mixtur 2-3 fach.
Pedal: C-d1 Principal 16′, Violone 16′, Subbaß 16′, Groß Nasard 10 2/3′, Gemshorn 8′, Violoncello 8′, Nasard 5 1/3′, Octava 4′, Waldflöte 2′, Posaune 16′, Fagott 8′, Cornetto 4′.
Koppelingen: Hauptwerk – Oberwerk, Hauptwerk – Schwellwerk, Pedal – Hauptwerk.
Speelhulpen: Tutti (Schwellwerk), Barkermaschine.