Den Haag, Evangelisch Lutherse Kerk, Hoofdorgel

Foto’s: Wim Verburg © 2002 – 2005

  • In de Evangelisch Lutherse Kerk te Den Haag bouwde Schonat een nieuw orgel in 1648. Dit werk werd door Appolonius Bosch in 1668 uitgebreid. Op 23 juli 1723 startte Rudolf Garrels met de verhuizing van het orgel van de Noord- naar de Zuidzijde van de kerk. Ook vergrootte hij het instrument en wijzigde hij de orgelkas naar ontwerp van Daniël Marot. Op 4 september 1724 werd het weer in gebruik genomen, na een examinatie door A.E. Veltcamps. Het orgel had nu twee manualen en aangehangen pedaal, met in totaal 14 stemmen. In 1751 werd de opdracht gegeven aan J.H.H. Bätz om een nieuw orgel te bouwen met twee klavieren en aangehangen pedaal en 23 stemmen met gebruikmaking van delen van het bestaande instrument. De kas van Garrels bleef behouden. Het orgel was op 18 september 1753 opgeleverd. In 1758 besloot men een nieuwe kerk te bouwen. Het orgel werd in 1759 door Bätz gedemonteerd. In 1760 werd besloten om een veel groter orgel in de nieuwe kerk te laten bouwen, met drie manualen en een vrij pedaal. Voor het nieuwe orgel gebruikte Bätz opnieuw de kas van Garrels als uitgangspunt, en ook is oud pijpwerk opgenomen. Op 2 september 1762 was het werk gereed, waarna het op 23 september werd geëxamineerd door Henricus Radeker uit Haarlem, Jan Ebeling uit Den Haag en dhr. Reijntjes, organist in Amsterdam.
  • In de loop van de jaren werd het orgel geregeld onderhouden. Een eerste wijziging heeft plaatsgevonden in 1824 door de gebroeders Bätz. Zij voegden twee nieuwe balgen toe, vervingen de metalen Bourdon 16′ door een houten, maakten een nieuw hoofdwerkmanuaal met een nieuwe koppeling en een nieuw pedaalklavier, een nieuwe tremulant voor het Bovenwerk en tot slot stemden zij het orgel in een gelijkzwevende temperatuur. In 1837 heeft de firma Bätz & Co. opnieuw flinke wijzigingen aan de dispositie uitgevoerd: op het Hoofdwerk werd de Mixtuur uitgebreid met pijpwerk van de Scherp. Deze Scherp werd vervangen door een Fagot 16′. De Dulciaan 8′ werd omgebouwd tot Trompet 4′. Het Pedaal kreeg een Roerquint 6′ in plaats van de Mixtuur, en de Cornet 2′ verviel ten gunste van een Trompet 4′. Op het Bovenwerk heeft men een Salicionaal 4′ geplaatst, een Roerfluit 4′ en een Roerfluit 2′ in plaats van de Gemshoorn 4′, de Flageolet 1′ en de Nachthoorn 2′. Tot slot werd op het Rugwerk de Flageolet 1′ opgeschoven tot een 1 1/3′ en kwam de Sexquialter te vervallen. Witte restaureerde het instrument in 1860. Hij verving de frontpijpen door nieuwe, omdat de oude frontpijpen te dun geworden waren.
  • Het orgel werd door A. Bik in 1921 uitgebreid met een zwelwerk op een pneumatische kegellade achter het Hoofdwerk. Dit werk is bespeelbaar vanaf het derde manuaal en het pedaal, en staat opgesteld in een aparte kas achter het orgel. Bik plaatste op het Rugwerk een nieuwe Sexquialter op de in 1837 vrijgekomen plaats. De Salicionaal 4′ van het Bovenwerk uit 1837 werd vervangen door een Nasard 3′, en het Bovenwerk werd uitgebreid met een Octaaf 4′ en een Scherp, geplaatst op een bank boven de windlade. Het instrument is verder geheel ongewijzigd gebleven. Op 18 november 1921 nam men het orgel weer feestelijk in gebruik. In 1970 reviseerde De Koff de mechaniek van het orgel. Hierbij werd door Willem Mudde toezicht gehouden. In 1995 is het rugwerk gerestaureerd door de firma Flentrop uit Zaandam. De Sexquialter van Bik is toen vervangen door een nieuw exemplaar, gemaakt in de factuur van J.H.H. Bätz. Op 13 mei 1995 nam men het instrument hierna weer in gebruik. Het orgel bleek bij de restauratie in 1995 ook nog pijpwerk te bevatten van Schonat, afkomstig uit het vroegere orgel. De frontpijpen zijn allen gemaakt door Johan Frederik Witte. De Mixtuur van het rugwerk heeft drie koren van Schonat, en één koor dat waarschijnlijk is gemaakt door Rudolph Garrels in 1723. De firma Flentrop kreeg in 2006 de opdracht voor een complete technische restauratie. Deze werd in juni 2006 gestart en werd in september 2007 afgerond. Op 6 oktober 2007 nam men het orgel weer in gebruik met een concert door Aart Bergwerff. Bij deze restauratie zijn de drie in 1948 op het Bovenwerk geplaatste registers (Octaaf 4′, Nasard 3′ en Scherp) verwijderd. Er is een Nasard 2 2/3′ gemaakt volgens factuur van Bätz. De Octaaf 4′ werd op het Zwelwerk geplaatst. Tevens is het Zwelwerk uitgebreid met een Basson-Hobo 8′. Dit laatste register betreft een exemplaar van rond 1920. De pneumatische tractuur van het Zwelwerk is vervangen door een elektrische.

Dispositie tot 2006 Bätz 1753 / 1762 / Bik 1921 / 1948 (zwelwerk)

Hoofdwerk: C – c3
Bourdon 16′
Prestant 8′
Roorfluit 8′
Quintadeen 8′
Octaaf 4′
Nagthoorn 4′
Quint 3′
Octaaf 2′
Woudfluit 2′
Mixtuur 6 st. (V-VIII)
Cornet disc. (IV)
Fagot 16′
Trompet 8′
Trompet 4′
Tremulant

Rugwerk: C – c3
Prestant 8′
Holpyp 8′
Octaaf 4′
Fluit 4′
Octaaf 2′
Flageolet 1′
Mixtuur 3 en 4 st.
S.Quialter disc. (II)
Dulciaan 8′
Tremulant

Zwelwerk: III (C – c3)
Holpyp 8′
Dolce 8′
Viola di Gamba 8′
Vox Celeste 8′
Fluit Harmonique 4′
Woudfluit 2′

Bovenwerk: C – c3
Prestant 8′
Baarpyp 8′
Quintadeen 8′
Octaaf 4′
Roorfluit 4′
Nasart 3′
Fluit 2′
Scherp 3 st.
Schalmy 8′
Vox Humana 8′
Tremulant

Pedaal: C – c1
Prestant 16′
Bourdon 16′
Prestant 8′
Roorquint 6′
Octaaf 4′
Bazuin 16′
Trompet 8′
Trombone 4′

Pedaal op ZW:
Subbas 16′
Bourdon 8′
Violoncel 8′
Combinatie bov. klav. Ped.

Speelhulpen:
Transpositeur ZW
Tutti ZW
4 afsluiters
Ventiel

Dispositie vanaf 2006:

Hoofdwerk:
Bourdon 16′
Prestant 8′
Roorfluit 8′
Quintadeen 8′
Octaaf 4′
Nagthoorn 4′
Quint 3′
Octaaf 2′
Woudfluit 2′
Cornet IV sterk (discant)
Mixtuur VI sterk – 1753/1837
Fagot 16′
Trompet 8′
Trompet 4′ – 1762/1837
Tremulant

Rugwerk:
Prestant 8′ – 1648/1753
Holpyp 8′
Octaaf 4′
Fluit 4′
Octaaf 2′
Flageolet 1′
Sesquialter II sterk (discant) – 1995
Mixtuur III-IV sterk – 1648/1723
Dulciaan 8′ – 1753
Tremulant

Bovenwerk:
Prestant 8′ – 1762
Baarpyp 8′ – 1762
Quintadeen 8′ – 1763
Roorfluit 4′ – 1837
Nasart 3′ – 2007
Fluit 2′ – 1762
Schalmy 8′ – 1762
Vox Humana 8′ – 1762
Tremulant

Zwelwerk (bespeelbaar vanaf Bovenwerk) (1921):
Holpyp 8′
Dolce 8′
Viola di Gamba 8′
Voix Celeste 8′
Octaaf 4′
Flûte Harmonique 4′
Woudfluit 2′
Hobo 8′
Tremulant

Pedaal:
Prestant 16′
Bourdon 16′
Subbas 16′ – 1921; in zwelkast
Prestant 8′
Bourdon 8′ – 1921; in zwelkast
Violoncel 8′ – 1921; in zwelkast
Roorquint 6′ – 1837
Octaaf 4′ – 1762
Bazuin 16′ – 1753
Trompet 8′ – 1762
Trombone 4′ – 1762

Koppelingen:
Hoofdwerk – Rugwerk
Hoofdwerk – Bovenwerk
Coppeling Pedaal

Speelhulpen:
Combinatie Bovenklavier (Zwelwerk) en Pedaal
Transpositeur Bovenklavier (Zwelwerk)
Afsluiting Manuaal
Afsluiting Positief
Afsluiting Boven Clavier
Afsluiting Pedaal
Ventiel

Vulstem Samenstelling
Mixtuur IV sterk (rugwerk) C: 1′ – 2/3′ – 1/2′. c°: 2′ – 1 1/3′ – 1′. c’: 2 2/3 ‘ – 2′ – 1 1/3′ – 1′. c”: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3’.