Elspeet, Hersteld Hervormde Rehobôthkerk

Foto’s Weimar: © Viola-Bianka Kießling

Foto’s  Elspeet: © Willemijn Hissink

In 1953 werd door de firma Oscar Metzler & Söhne  een nieuw tweeklaviers orgel voor de Kloosterkerk in Wettingen (Zwitserland). Norbert Sperschneider plaatste het orgel in 1991 in de Herz Jesukirche in Weimar. Van het oude orgel werden de blaasbalg en de windmotor overgenomen. Omdat een fraai glas-in-loodraam niet zichtbaar was doordat het orgel ervoor stond, werd het instrument in 2008 te koop aangeboden. De Hersteld Hervormde kerk Rehobôth in Elspeet kocht het orgel. Het is door vrijwilligers onder leiding van Geurt de With (Hendriksen&Reitsma)overgeplaatst naar het in 2010 gebouwde kerkgebouw in Elspeet. Het front is geheel nieuw, evenals de orgelkas e.d. Wel is gebruik gemaakt van pijpwerk wat in Weimar ook in het front stond. Het front van het rugwerk is wel geheel nieuw. De uitbreiding van het rugwerk gebeurde eveneens onder leiding van G. de With, waarbij Piet Groeneveld het grootste deel van het werk voor zijn rekening nam, zoals het maken van een nieuwe windlade en bijbehoren.
De klavieren werden geheel vernieuwd. In 2012/2013 breidde Ide Boogaard het orgel uit met een rugpositief. De Zimbel van het Hauptwerk is naar het rugwerk verplaatst.Op de plek op het  Hauptwerk die daardoor vrijkwam  staat nu een Fagott 16′. De intonatie wordt door Ide Boogaard gedaan. Op 2 maart 2013 wordt het orgel in gebruik genomen. Het instrument heeft een mechanische speeltractuur en een elektro-pneumatische registertractuur. Het orgel heeft sleepladen.

Dispositie tot 2008:

Hauptwerk: (C-g3)
Rohrflöte 16
Principal 8
Hohlflöte 8
Gemshorn 8
Octav 4
Nachthorn 4
Octav 2
Mixtur 5-6fach 1 1/3
Zimbel 1’
Trompete 8
II. Schwellwerk: (C-g3)
Suavial 8 (Streicher)
Gedackt 8
Prinzipal 4
Rohrflöte 4
Waldflöte 2
Octav 2
Superoctav 1
Quinte 2 2/3
Terz 1 3/5
Larigot 1 1/3
Scharff 4-6f 1’
Krummhorn 8
Pedal: (C-f1)
Prinzipal 16
Subbass 16
Prinzipal 8
Rohrgedackt 8
Octave 4
Rauschquinte 2 2/3
Posaune 16
Trompete 8
 
Koppeln und Spielhilfen:
3 Koppeln
A (Handregister-Großwippe); B; C/ tutti als Druckknopf vorn
A; B; C/ tutti/ Crescendo/ Manual- und 2 Pedalkoppeln/ Mixtur/ Rauschquinte/ Scharff/ Zungen I. M/ Krummhorn/ Zungen Pedal als Tritt

Huidige dispositie:

Hauptwerk:    Schwellwerk:    Rückpositiv (2013): Pedal:    Koppelingen:   
Rohrflöte 16′  Suavial 8′  Principal 8′ Prinzipal 16′  Hauptwerk –   Schwellwerk
Principal 8′  Gedackt 8′  Hohlpfeife 8′ Subbass 16′ Hauptwerk – Rückpositiv
Hohlflöte 8′  Principal 4′  Quintade 8′  Octav 8′ Pedal –   Hauptwerk
Gemshorn 8′ Rohrflöte 4′  Octav 4′ Rohrgedackt 8′  Pedal – Schwellwerk
Octav 4′ Quinte 2 2/3′  Flöte 4′ Octav 4′ Pedal – Rückpositiv
Nachthorn 4′  Octav 2′ Quinte 2 2/3′  Rauschquinte 2 fach (2 2/3′)   
Octav 2′ Waldflöte 2′  Octav   2′ Posaune 16′ 
Mixtur 4-5 fach (1 1/3′) Terz 1 3/5′ Gemshorn 2′ Trompete 8′  
Fagott 16′ – 2012  Larigot 1 1/3′ Sesquialter   2 fach      
Trompete 8′ Superoctav 1′ Mixtur 3 fach      
    Scharff 4-6 fach (1′) Zimbel 3 fach (1′) – 1953       
    Krummhorn 8′ Dulcian 8′         
        Tremulant