Foto’s 1-6: © Wim Verburg
Foto 7: Jarno Snippe © 2026
Overige foto’s: Stefan Braun (Köln) © 2026
Jan Slegel III bouwde tussen 1671 en 1676 een groot nieuw mechanisch sleepladen-orgel in de Bovenkerk. Hij gebruikte enig pijpwerk van het oude orgel van Jan van Covelens (1524) opnieuw. Een grote verbouwing, zowel voor wat betreft karakter als omvang, werd in 1742/1743 uitgevoerd door Hinsz. Daarna had het instrument 34 stemmen, drie manualen en aangehangen pedaal. In feite maakte Hinsz een nieuw mechanisch sleepladen-orgel, met gebruikmaking van oude onderdelen en pijpwerk. De kassen werden ook geheel nieuw gemaakt en vergroot. Op 10 oktober 1743 werd het werk gekeurd door Henricus Radeker uit Haarlem en Willem Bruijnier, organist te Kampen.
Frans Caspar Schnitger en Heinrich Hermann Freytag vergrootten het instrument in 1788-1790 met een zelfstandig pedaal en enkele tongwerken. Verder maakten zij een borstwerk wat geen eigen (vierde) klavier kreeg. In 1818 voerde Albertus van Gruisen werkzaamheden uit. Ook breidde hij de dispositie van het orgel uit met een Carillon en een Trompet op het Borstwerk. De organist/amateur orgelbouwer Zwier van Dijk heeft in 1866 enkele romantische stemmen op het orgel geplaatst en een vierde manuaal voor het borstwerk gemaakt. Tot slot plaatste Jan Proper (zijn neef en opvolger) in 1898 een Vox Célèste.
In 1952 vernieuwde Sanders de Vox Humana, en hij maakte ook een nieuw pedaalklavier en een nieuwe orgelbank. Bij de grote kerkrestauratie vanaf 1955 werd het orgel in 1957 uit de kerk verwijderd en opgeslagen. Het pijpwerk werd op de zolder van de Broederkerk bewaard. Daar raakte een gedeelte nog beschadigd door brand.
In 1965 bouwde de firma J. de Koff het orgel weer gedeeltelijk op. Het rugwerk werd herplaatst. In 1968 werden hoofdwerk en pedaal geplaatst. Na het faillissement van De Koff in 1971 werd de restauratie van het orgel in de jaren 1972-1975 afgerond door Bakker & Timmenga uit Leeuwarden. Er werd een nieuwe klaviatuur gemaakt in de stijl van Hinsz, met als voorbeeld de manualen van de Martinikerk te Groningen. De restauratie werd onder advies van Feike Asma, Willem Hendrik Zwart en dr. M.A. Vente uitgevoerd. De situatie van 1790 diende als uitgangspunt, maar met behoud van het vierde klavier en enkele stemmen uit de negentiende eeuw. Hiervoor werd een tweede bovenwerk gemaakt, dat bespeelbaar gemaakt werd vanaf hetzelfde manuaal als het eerste bovenwerk. op 13 december 1975 werd het instrument weer in gebruik genomen met een officiële overdracht door Maarten Vente en een concert door Willem Hendrik Zwart. Het orgel is in het voorjaar van 2000 door de firma Gebr. Reil geheel gereinigd. De windvoorziening werd hierbij ook hersteld en de tremulanten zijn verbeterd.
In 2016 werd er een nieuw pedaalklavier geplaatst, dat vier centimeter lager ligt dan het oude. Dit werk is uitgevoerd door de firma Reil. Het orgel heeft circa 3200 pijpen, 56 stemmen, 4 manualen en een vrij pedaal. De toonhoogte is a’ = 446,5 Hz. De stemmingstemperatuur is gelijkzwevend. De winddruk is 71 mm. Anno 2026 zijn er vergevorderde plannen voor een nieuwe restauratie van het gehele orgel.
De dispositie van het Hinsz-orgel: (1743 met ouder èn jonger pijpwerk)
HOOFDWERK (C – c3) 49 TOETSEN: Prestant 16′ – 1676/1742, Bourdon 16′ – 1524/1676/1742, Prestant 8′ – 1676/1742, Holpijp 8′, Octaaf 4′, Fluit 4′, Quint 3′, Superoctaaf 2′, Mixtuur III-IV sterk (bas) – 1676, Mixtuur IV-V sterk (discant) – 1676, Scherp III sterk, Tertiaan II sterk, Trompet 16′ (B/D) – 1742, Trompet 8′ – 1742.
RUGWERK (C – c3) 49 TOETSEN: Prestant 8′, Holpijp 8′, Octaaf 4′, Fluit 4′ – 1676/1742, Gedakt Quint 3′ – 1742/1975, Octaaf 2′, Fluit 2′, Sifflet 1′, Mixtuur III-IV sterk – 1676/1742, Sexquialter III sterk (discant) – 1975, Fagot 16′ – 1790, Tremulant.
BOVENWERK (C – c3) 49 TOETSEN: Prestant 8′ – 1676/1742, Roerfluit 8′, Quintadeen 8′ – 1524/1676, Octaaf 4′, Fluit 4′, Speelfluit 3′, Woudfluit 2′ – 1524/1629, Nassat 1 1/2′, Scherp III sterk, Vox Humana 8′ – 1676/1742, Tremulant – Gezamenlijk voor beide bovenwerken.
BOVENWERK II (C – c3) 49 TOETSEN: Holpijp 8′, Salicionaal 8′, Fluit Travers 8′, Principaal 4′, Spitsfluit 2′, Flageolet 1′, Carillon III sterk (discant) – 1818, Trompet 8′ – 1818, Tremulant – Gezamenlijk voor beide bovenwerken.
BORSTWERK (C – c3) 49 TOETSEN: Gedakt 8′ (B/D) – 1790, Fluit 4′ (B/D) – 1790, Woudfluit 2′ – 1790, Dulciaan 8′ – 1742, Tremulant.
PEDAAL (C – d1) 27 TOETSEN: Prestant 16′ – 1742 (transmissie uit 1975), Subbas 16′ – 1790, Octaaf 8′ – 1790, Gedakt 8′ – 1790, Roerquint 5 1/3′ – 1790, Octaaf 4′ – 1790, Nachthoorn 2′ – 1975, Bazuin 16′ – 1790, Trompet 8′ – 1790, Cornet 4′ – 1790.
KOPPELINGEN: Hoofdwerk – Rugwerk, Hoofdwerk – Bovenwerk, Bovenwerk – Bovenwerk II, Bovenwerk – Borstwerk – schuifkoppel, Pedaal – Hoofdwerk.
SPEELHULPEN: Vier afsluitingen, Windlossing, Calcant.
























