Dalfsen, Hervormde Kerk

   
   

Foto: D. Sanderman  © 2002
Info: met dank aan Herman Jansen

   

Het orgel bevindt zich in de kerk aan de torenzijde, ondersteund door 4 rood-grijs geschilderde gemarmerde pilaren. Achter het orgel is een een imitatie orgelfront met houten imitatiepijpen aangebracht, compleet met beelden en een klok. Dit geheel is aangebracht door orgelbouwer Scheuer in 1808.

Orgelbouwer J. H.  Holtgräve uit Deventer heeft
 het orgel in 1843 vervaardigd (ingebruikname in
febr. 1844) voor de Hervormde kerk van Hengelo
(voor f 1450,=). Deze orgelbouwer heeft
gebruik gemaakt van pijpwerk en het manuaal van
een ouder orgel. In 1878 is het orgel door
Holtgräve’s zoon
gerestaureerd en verplaatst
(voor f 1161,=). Hierbij is waarschijnlijk een deel
van het oude pijpwerk (van voor 1844) vervangen.

In 1893 heeft orgelbouwer Bakker en Timmenga uit Leeuwarden het orgel uitgebreid met een 2e klavier en pedaalstemmen (voor f 1580,=). In 1930 is het orgel verplaatst naar Dalfsen door de orgelbouwer Valckx en van Kouteren uit Rotterdam. In 1967 is het orgel gerestaureerd en uitgebreid door de fa. Hendriksen en Reitsma uit Nunspeet. In 1978 is aan de Mixtuur een extra koor toegevoegd.

De orgelkas dateert uit 1844 (in 1893 is deze vergroot). In 1967 zijn de windladen t.b.v. de manualen gerestaureerd, de windlade van het pedaal is vervangen in 1967. De speelmechaniek stamt nog grotendeels uit 1844/1893, de registermechaniek werd in z’n geheel in 1967 vervangen. De klavieren zijn in 1967 opnieuw met ivoor belegd.
 
 
De dispositie van het Holtgräve-orgel: (1844; in 1930 in deze kerk geplaatst door Valckx & Van Kouteren)
Hoofdwerk: (C-f3)
Prestant 8' (?/1843/1967)
Viola 8' (1893)
Roerfluit 8' (1893)
Octaaf 4' (1843)
Fluit 4' (?1843)
Quint 2 2/3'  (1878)
Octaaf 2' (1878)
Mixtuur III-IV (?/1844/1978)
Cornet IV (1844)
Trompet 8' (1930)
Bovenwerk: (C-f3)
Holpijp 8' (1843/1878)
Prestant 4' (1967)
Roerfluit 4' (1967)
Woudfluit 2' (1893)
Sesquialter II (1967)
Cimbel II-III (1967)
Kromhoorn 8' (1967)
Tremulant
Pedaal: (C-d1)
Subbas 16' (1893)
Prestant 8' (1967)
Octaaf 4' (1893)
Fagot 16' (1967)
Schalmei 4' (1967)




2 koppels
   
   

Zowel het plenum (volle werk) als ook de
meeste individuele stemmen klinken zeer fraai. Dit
wordt mede veroorzaakt door de goede akoestiek
in de kerk.

De prestant 8’ en de octaaf 4’ op het
hoofdwerk vormen een goede, evenwichtige basis
van het orgel. De trompet 8’  heeft een mild
karakter waardoor dit tongwerk goed mengt
in het plenum.

De viola 8’ als zachtste register klink teer en helder. De cornet is uitstekend te gebruiken als uitkomende stem bij de gemeentezang. De holpijp 8’, al dan niet in combinatie met roerfluit 4’ (evt. met tremulant), klinkt romantisch en zangerig. De sesquialter draagt zowel in het plenum goed bij maar komt ook goed tot zijn recht als uitkomende stem (met holpijp 8’ en roerfluit 4’).

De cymbel als kroon op het volle werk, klinkt ‘fris en sprankelend’.
De pedaalstemmen hebben een goede draagkracht.

Home
Terug naar vorige pagina / to last page / Zurück