Kruiningen, Johanneskerk

Bron foto’s en tekst: Protestantse gemeente Kruiningen  foto’s: Sjaak van Loo

Terwijl er in de 18de en 19de eeuw in steeds meer kerken met begeleiding van een kerkorgel gezongen werd was de leiding van de gemeentezang in Kruiningen tot 1899 in handen van een voorzanger.
In dat jaar kwam er een orgel, gebouwd door de fa. L. van Dam uit Leeuwarden. Het werd geplaatst op een balustrade boven de ingang van de kerk. Het was zowel qua klank als vormgeving, typerend voor die tijd, de romantiek, een instrument met een bescheiden dispositie, twee klavieren en een aangehangen pedaal.
Omdat de Johanneskerk ten gevolge van de watersnoodramp van 1 februari 1953, waarna het kerkgebouw verscheidene maanden onder de invloed van eb en vloed heeft gestaan, aanzienlijke schade van het zoute water had opgelopen, werd tot restauratie van het gebouw overgegaan.
In verband hiermee werd het orgel uit elkaar gehaald en opgeslagen in een school naast het kerkgebouw.
Onderzoek van de staat van het orgel bracht aan het licht dat ook aan het instrument een ingrijpende restauratie nodig was. Volgens de toenmalige landelijke orgelcommissie van de Hervormde Kerk was er echter van zoutinwerking aan het orgel geen sprake.
De keuring werd uitgevoerd door de deskundigen Lambert Erné en W. Hulsmann. Het orgel werd toch afgekeurd omdat bij de bouwkundige restauratie van het
kerkgebouw reeds besloten was om het orgel niet meer boven de ingang te plaatsen maar in een transept.
Mogelijk dat een verminderde lichtinval in het gebouw door de plaatsing van het orgel voor het grote raam boven de ingang een reden was.
De orgelcommissie was van oordeel dat het klankvolume van het in het transept te plaatsen van Dam orgel niet meer toereikend zou zijn voor de ruimte.
Daarom is het toch op kosten van het rampenfonds vervangen.

Het van Dam orgel is naar Wemeldinge verhuisd en er is door de toenmalige kerkvoogdij aan de Firma van Vulpen uit Utrecht opdracht verstrekt tot de bouw van een nieuw orgel, een mechanisch neo-barok instrument. De adviseur was Lambert Erné.
Op 10 december 1958 kon het nieuwe Van Vulpen-orgel officieel in gebruik genomen worden en het werd ingespeeld door Adriaan Engels uit Den Haag die tevens lid was van de landelijke orgelcommissie. Het is opgebouwd uit hoofdwerk, rugwerk en pedaal. De vormgeving is vrij strak en de kassen zijn gemaakt van Frans eiken. Het orgel bezit 22 stemmen, waaronder 4 tongwerken. Specifiek is het horizontale trompet register, ook wel Chamade genoemd.

De dispositie:

Hoofdwerk
Quintadeen 16′
Prestant 8′
Roerfluit 8′
Octaaf 4′
Gedekte fluit 4′
Octaaf 2′
Mixtuur 4-5 st.
Trompet 8′
Rugwerk
Holpijp 8′
Prestant 4′
Roerfluit 4′
Gemshoorn 2′
Nasard 11/3
Scherp 4 st.
Sexquialter 2 st.
Dulciaan 8’ 
Pedaal
Bourdon 16′
Prestant 8′
Octaaf 4′
Mixtuur 6 st.
Bazuin 16′
Schalmei 4′ 

Koppelingen
Hoofdwerk-Rugwerk
Ped – I
Ped – II