Maasland, Hervormde Kerk, Hoofdorgel

Foto’s: Reinier Kroos © 2020

 

Geschiedenis
Het orgel in de Ned. Herv. Kerk te Maasland werd oorspron- kelijk gebouwd voor de Nicolaïkerk te Utrecht. Bouwer was J.F. Witte, die in 1888 het orgel opleverde. J.F. Witte was een zoon van C.G.F. Witte, die op zijn beurt een schoonzoon was van de beroemde orgelbouwer Bätz.
In 1944 werd de dispositie op advies van Lambert Erné, de organist van de Nicolaïkerk, grondig veranderd. Bijna alle registers van Manuaal II werden vervangen met de bedoeling deze te reserveren voor een nieuw te bouwen 3e manuaal. Na de tweede wereldoorlog werd bij restauratiewerkzaamheden aan de muren van de kerk in de muur achter het orgel een roosvenster ontdekt. Besloten werd dit roosvenster te restaureren, maar omdat het orgel ervoor stond werd dit in een ander gedeelte van de kerk geplaatst en werd overwogen om de orgelkas zo te veranderen, dat bij terugplaatsing het roosvenster zichtbaar bleef.

Uiteindelijk werd besloten een nieuw orgel te laten bouwen en het Bätz-Witte-orgel te verkopen. Bij de brand van de kerk in Maasland in 1945 was ook het Garrels-orgel verloren gegaan. Besloten werd om tot aankoop van het orgel uit de Nicolaïkerk over te gaan.
In 1955 werd door de firma De Koff het orgel in Maasland geplaatst. Door architectenbureau Van Essen werd een nieuwe orgelkas ontworpen en met gebruikmaking van zoveel mogelijk oude onderdelen werd het orgel in Maasland geplaatst met de dispositie van 1944.
In 1972 bleek, dat door de heteluchtverwarming de windladen kapot waren gestookt, welke daarna door Verschueren orgelbouw zijn gerestaureerd.
In het jaar 2001 is de restauratie van het orgel door Reil voltooid,
waarbij de situatie van 1888 (waar nodig) gereconstrueerd werd.

De restauratie
Nadat besloten was tot algehele restauratie over te gaan, werd een 4-tal orgelbouwers uitgenodigd offerte te maken. De opdracht werd gegund aan Gebr. Reil orgelbouw, die de laatste jaren veel ervaring heeft opgedaan met restauratie van Bätz-Witte-orgels.
Uitgangspunt voor de werkzaamheden was het orgel technisch en artistiek weer op een inspirerende en betrouwbare wijze te laten funktioneren en daaruit volgend de dispositie te herstellen naar de situatie van 1888. Doordat de oorspronkelijke tekeningen van de situatie in de Utrechtse Nicolaïkerk zijn teruggevonden kon de door Witte bedoelde opzet van de windvoorziening worden gereconstrueerd. In de toren is daarmee een dubbelvouwige magazijnbalg geplaatst en er werd een nieuwe kanalisatie naar de verschillende werken aangebracht.
Het vernieuwen van de orgelkas naar de oorspronkelijke situatie ‘1888’ is als een te ingrijpende aanpassing verworpen. In het verlengde daarvan is besloten de orgelkas van 1957 met de bestaande plaatsing van windladen (de laden van het Pedaal zijn links en rechts van de hoofdwerklade opgesteld, oorspronkelijk stonden ze achter de hoofdwerklade) en zonder zwelkast te


handhaven. De orgelkas is geheel nagezien en waar nodig hersteld. Er werden deels nieuwe loopplanken aangebracht om een goede bereikbaarheid van het pijpwerk te verkrijgen.
De windladen zijn in stijl Witte gerestaureerd waarbij besloten werd wel de in 1972 aangebrachte bescherming tegen het aanwezige verwarmingssysteem middels platen te handhaven.
In de ‘Utrechtse situatie’ was er sprake van een vrijstaande speeltafel. Bij de overplaatsing naar Maasland is de speeltafel 180 graden gedraaid en voorin de orgelkas geplaatst. Deze situatie is gehandhaafd. De klaviatuur en de deels originele speelmechanieken zijn gerestaureerd waarbij o.a. de in 1955 op een ongelukkige wijze aangebrachte manuaalkoppel is gewijzigd en de niet originele, slecht funktionerende wellenramen zijn vernieuwd in passende stijl.
Daar waar het orgel voorheen onaanvaardbaar zwaar en diep speelde kon door een hernieuwde opzet van de nog aanwezige originele delen in de mechanieken een passende speelaard worden verkregen. De aanleg van de registermechanieken van De Koff is gerestaureerd en gehandhaafd.
Essentieel voor het klankconcept was de herplaatsing van de Prestant 16 op het Hoofdwerk. Deze is, naar het oorspronkelijke voorbeeld, deels als transmissie uitgevoerd met de Prestant 16 van het Pedaal. De voor de bouwtijd zeer kenmerkende en in de loop der jaren verdwenen kleurregisters (Violon 8 op het Hoofdwerk, en de Bovenwerkregisters Gemshoorn 8, Fluit 4 disc., Nazard 3, Flageolet 2, en dulciaan 8) zijn nieuw bijgemaakt. Deze registers zijn in mensurering afgeleid van de door J.F. Witte vervaardigde instrumenten in Apeldoorn (Grote Kerk, 1896) en Oldenzaal (H. Plechelmusparochie, 1889, het oorspronkelijk uit de Grote Kerk te Hoorn afkomstige orgel,  gebouwd direkt na het orgel in de Nicolaïkerk).Het nog aanwezige originele pijpwerk is gerestaureerd waarbij een groot aantal door tinpest aangetaste pijpvoeten moest worden vernieuwd.
De intonatie heeft plaatsgevonden bij een winddruk van 88 mm. waterkolom. De karakteristieke door J.F. Witte gedachte klankarchitectuur is binnen het aanwezige kader als leidraad genomen.
De restauratie is voltooid met het opnieuw schilderen van de orgelkas en het plaatsen van enkele kleine ornamenten.

Dispositie Witte-orgel: (1972-2000)

Hoofdwerk: (C-f3) Bovenwerk: (C-f3) Pedaal: (C-d1)
Prestant 8 Prestant 8 Prestant 16
Roerfluit 8 Holfluit 8 Subbas 16
Quintadeen 8 Viola 8 Octaaf 8
Octaaf 4 Octaaf 4 Bourdon 8
Quint 3 Fluit 4 Octaaf 4
Octaaf 2 Quint 2 2/3 Fagot 16
Mixtuur II-IV Octaaf 2
Scherp IV-VI Gemshoorn 2
Cornet V Mixtuur IV-VI
Trompet 8 Sexquialter II
Schalmei 8
Tremulant

Dispositie Witte-orgel (2001)

Hoofdwerk: Bovenwerk: Pedaal:
Prestant 16 Prestant 8 Prestant 16
Prestant 8 Holfluit 8 Subbas 16
Roerfluit 8 Gemshoorn 8 Octaaf 8
Quintadeen 8 Viola 8 Bourdon 8
Violon 8 Salicet 4 Fagot 16
Octaaf 4 Fluit 4 discant
Quint 3 Nasard 3 Koppelingen:
Octaaf 2 Flageolet 2 Hoofdwerk – Bovenwerk
Mixtuur II-IV Schalmei 8 Pedaal – Hoofdwerk
Cornet V Dulciaan 8 Pedaal – Bovenwerk
Trompet 8 Tremulant
Bron: Het Bätz-Witte orgel in de Nederlandse Hervormde Kerk van Maasland

, , .