Renesse, Herv. Kerk

   

   
   

   
   

   
Oberlinger orgel van de Jacobuskerk (Renesse)
Het huidige orgel werd in 1882 gebouwd door de Gebr. Oberlinger te Windesheim, West-Duitsland voor de kerk van de Deutsche Evangelische Gemeinde, destijds aan de Zwarte Paardenstraat te Rotterdam. Het had toen de volgende dispositie:
          Foto's boven: jancoschout@solcon.nl © 2006
MANUAAL I
Bordun 16'          
Principal 8'                
Hohlflöte 8'          
Viola di gamba 8'          
Octave 4'               
Flöte 4' (transmissie uit II)    
Quint 2 2/3'
Octave 2'
Mixtur 2-3 st.
Trompete 8'
MANUAAL II
Flauto amab
Salicional 8'  
Viola di gamba 8' (transm.)
Harmonica 4'
Flöte 4'
 Oboe 8'

 

PEDAAL
  Subbaß 16'
 Principalbaß 8'

Het instrument had een manuaalkoppel en een pedaalkoppel naar I en zou ook een piano- en fortepedaal hebben gehad.
   
Het onderging in het begin van deze eeuw de volgende wijzigingen:
in 1905 zou volgens Bouman de Trompete vervangen zijn door een nieuw exemplaar
in 1913 werd op het pedaal een Cello 8' geplaatst
tevens werd de Oboe van Manuaal II vervangen door een Voix Celeste 8'
werd een tremulant werkend op het gehele orgel aangebracht
in 1924 werd de Flauto Amabile van Manuaal II vervangen door een Quintaton 8' (behalve de gedekte pijpen van het groot octaaf).
Wegens het 75-jarig bestaan van de Duitse gemeente in Rotterdam ontving men een gift voor de bouw van een groter orgel door de fa. Steinmeyer. Men besloot het instrument van Oberlinger te koop aan te bieden. In 1939 werd het instrument door bemiddeling van de Nederlandse Klokken- en Orgelraad door de in Duitsland geboren orgelbouwer Theo Strunk te Rotterdam overgebracht naar Renesse.

In Renesse verving het een op 1 oktober 1905 met een bespeling door de Zierikzeese organist S. Klimmerboom in gebruik genomen tweeklaviers pedaalharmonium, dat voorzien was van een imitatie-
pijpenfront. Het Oberlinger-orgel werd door Strunk onder toezicht van eerdergenoemde N.K.O. geplaatst op een balkon tegen de torenmuur en daarbij vrij ingrijpend gewijzigd:
de Cello werd afgesneden tot een Octave 4' en ruilde van plaats met de bas van de Octave 4' van Manuaal I
de Harmonica 4' werd afgesneden en na opschuiving geplaatst als een Nachthorn 1'
de Viola di gamba werd eveneens afgesneden en na opschuiving geplaatst als een Schwiegel 2' waarbij de Salicional de plaats van de Viola innam
de discant van de Bordun 16' ruilde van plaats met de Quintaton 8' zodat met herintonatie van de laagste twee octaven van de Bordun 16' op Manuaal I een Quintaton 16' en met bijmaking van pijpen voor het hoogste octaaf op Manuaal II een Bordun 8' ontstond
de samenstelling van de Mixtuur werd gewijzigd
het pijpwerk van de Octave 4' de Quint 3' en de Octave 2' werd een halve toon opgeschoven
de intonatie van het pijpwerk werd gewijzigd met als oogmerk een draagkrachtigere en doorzichtigere klank.
   
Op 4 maart van dat jaar werd het orgel in gebruik werd genomen met een concert door Ferdinand Timmermans, orgel, en de zangeres Nelly Hugues. Tijdens de kerkrestauratie van 1952-54 werd het orgel verplaatst naar een balkon boven de kansel tegenover de toren.
In 1985/86 werd het instrument gerestaureerd door de fa. Leeflang te Apeldoorn onder advies van Dirk Jansz. Zwart waarbij wederom enkele wijzigingen in de dispositie werden aangebracht:
de Voix Celeste werd vervangen door een nieuwe Oboe 8'
de Nachthorn 1' werd vervangen door een nieuwe Nasat 3'
op het pedaal werd een nieuwe Posaune 16' geplaatst
het pijpwerk van het pedaal werd in een aparte kas geplaatst waartoe de hoofdkas van het orgel naar vorne werd verplaatst.
Helaas bleven de overige wijzigingen van 1939 ongemoeid.
Huidige dispositie:  
HOOFDWERK (C-f3):
Quintatön 16'  
Principal 8'
 Hohlflöte 8'
Viola di gamba 8'
Octave 4'
Flöte 4'  
Quinte 3'
Octave 2'
 Mixtur 2-3 fach
Trompete 8'
NEVENWERK (C-f3):
Bordun 8'
Viola di gamba 8'
Flöte 4'
Nasat 3'
Schwiegel 2'
Oboe 8'

 

PEDAAL (C-d1):
Subbaß 16'
Principalbaß 8'
Choralbaß 4'
 
Posaune 16'

 Tremulant op het gehele manualenwerk.

3 koppels

   
Bijzonderheden hoofdwerk:
 
C-b hout 1882; rest metaal, in 1924 als Quintatön 8' op het Nevenwerk geplaatst
metaal, 1882
1882, hout; C-b gedekt, rest open
transmissie van het Nevenwerk
C-d1 de tot 4' afgesneden Cello 8' uit 1913 van het pedaal; dis1-f3 1882, metaal, in 1939 halve toon opgeschoven
transmissie van het Nevenwerk
1882, metaal, in 1939 halve toon opgeschoven
1882, metaal, in 1939 halve toon opgeschoven
grotendeels 1882, samenstelling in 1939 gewijzigd
1905 (?)
Bijzonderheden nevenwerk:
C-B 1882, gedekt, hout; rest metaal, c-f2 waarschijnlijk afkomstig van de vroegere Bordun 16' uit 1882 van het Hoofdwerk, fis2-f3 van latere datum
1882, metaal, vanaf c de oorspronkelijke Salicional 8', ook bespeelbaar op het    Hoofdwerk
1882, hout, C-B gedekt; rest open, eveneens bespeelbaar op het Hoofdwerk
1986, metaal, conisch

C-f2: de in 1939 versneden Viola di gamba 8' uit 1882; fis2-f3: onbekende herkomst

1986, metaal
Bijzonderheden pedaal:
1882, hout, gedekt
1882, hout, open
1882, tot 1939 als Octave 4' op Hoofdwerk; toen geruild met versneden Cello 8' van pedaal
1986, houten schalbekers, C-B halve bekerlengte.
   

   
De drie oorspronkelijke kistbalgen zijn nog aanwezig; de trapinstallatie is gereconstrueerd. Het pijpwerk van beide manualen staat op één lade met mechanische slepen. Dat van het pedaal staat op mechanische kegelladen.
Het orgel werd met uitsluiting van de kas in 1991 tot monument verklaard.

Prosper Sevestre
Literatuur:
Archief Orgelcomité Renesse; in Streekarchivariaat voor Schouwen-Duiveland te Zierikzee.
"Het Orgel", augustus 1992, blz. 276-285.


 

(Bovenstaande gegevens zijn verzameld door de heer Prosper Sevestre, e-mail:psevestre@zeelandnet.nl)
   
 
   

Home
Terug naar vorige pagina / to last page / Zurück