Rijswijk (Zuid-Holland), Sint Bonifatiuskerk, Hoofdorgel

Foto’s: Michiel van ’t Einde © 2015

  • Het mechanische sleepladen-orgel in de Sint Bonifatiuskerk in Rijswijk (Zuid-Holland) is gebouwd door Kam & van der Meulen in de jaren 1839-1841. Bij oplevering had het instrument veertien stemmen op twee manualen en pedaal. Samuel de Lange keurde het instrument op 29 augustus 1841 goed. Na een vergroting van de kerk in 1854 plaatste Kam & Van der Meulen het binnen de kerk op een andere plaats. In 1868 wijzigde Leonard Van den Brink de windlade van het bovenwerk en werd de mechaniek gereviseerd. Na de bouw van een nieuwe kerk is het orgel in 1898 door Adema overgeplaatst. Bij deze gelegenheid kreeg het een nieuwe onderbouw met een vrijstaande mechanische speeltafel. Adema verving de Cornet door een Salicionaal en de Aeoline door een Viola di Gamba. De bestaande Viola werd omgebouwd tot een Voix Céleste. Tenslotte breidde Adema de Prestant 4′ uit tot een Prestant 8′.
  • In 1958 werd het orgel grondig omgebouwd door Jos Vermeulen. Er kwam een vrij pedaal met een electro-pneumatische tractuur. De oude windlade van het bovenwerk werd gebruikt voor een nieuw rugwerk. Het bovenwerk kreeg een nieuwe windlade. Aan het hoofdwerk voegde men een Mixtuur, Ruispijp, Trompet en Dulciaan toe, terwijl de Holpijp werd gewijzigd in een Roerfluit. Vermeulen plaatste een nieuwe mechanische speeltafel. Adviseur bij de verbouwing was dr. P.J. de Bruyn namens de KKOR. Op 9 augustus 1959 nam men het instrument in gebruik tijdens een feestelijke mis met Joop Schouten aan het orgel. Tot 1978 bleef het orgel nu ongewijzigd. In dat jaar reviseerde Jos Vermeulen het weer. De Gemshoorn en de Octaaf 2′ werden verwisseld, de Prestant 2′ van het rugwerk werd opgeschoven en de Cymbel werd veranderd in een Sifflet 1′. De Tertiaan van het bovenwerk wijzigde men in een Terts 1 3/5′.
  • In de jaren 1985 tot 1988 werd onder leiding van organist Jos Laus een grote restauratie met veel wijzigingen uitgevoerd. De kas kreeg een andere kleur en werd gewijzigd. Er is veel pijpwerk aan toe gevoegd, voor een deel afkomstig van het afgebroken orgel van de Bonifatiuskerk in Amsterdam. Na deze revisie werd het instrument op 18 september 1988 weer in gebruik genomen. In 1998 werd de Trompet 8′ vervangen door een Fagot-Hobo 8′. De Fagot verhuisde naar het bovenwerk, waar ook een Voix Céleste 8′ werd toegevoegd op een kantsleep.
  • In 2012 voerde de firma Consultare een technische restauratie uit. Daarbij zijn de koppels lichter gemaakt door toevoeging van een ‘bekrachtiger’. Er is op het derde manuaal een suboctaafkoppel geplaatst.
  • De stemmingstemperatuur is evenredig zwevend.

Dispositie:

Hoofdwerk: C – g3 Bourdon 16′, Prestant 8′, Violon 8′, Roerfluit 8′, Octaaf 4′, Fluit 4′, Quint 3′, Octaaf 2′, Sesquialter II sterk, Mixtuur IV-V sterk, Trompet 8′.
Rugwerk: C – g3 Holpijp 8′, Prestant 4′, Fluit 4′, Nasard 3′, Gemshoorn 2′, Mixtuur III sterk, Dulciaan 8′, Tremulant.
Bovenwerk (in zwelkast): C – g3 Prestant 8′, Bourdon 8′, Viola di Gamba 8′, Voix Céleste 8′, Prestant 4′, Roerfluit 4′, Quintfluit 3′, Flageolet 2′, Carillon II sterk, Fagot 16′, Fagot-Hobo 8′, Vox Humana 8′, Trompet 4′, Tremulant.
Pedaal: C – f1 Contrabas 16′, Subbas 16′, Quintbas 12′, Octaafbas 8′, Bourdon 8′, Octaaf 4′, Octaaf 2′, Bazuin 16′, Trombone 8′, Klaroen 4′.
Couplers: Hoofdwerk – Rugwerk, Hoofdwerk – Bovenwerk, Pedaal – Hoofdwerk, Pedaal – Rugwerk, Pedaal – Bovenwerk, Bovenwerk – Bovenwerk 16′.