Wien, Schubertkirche oder Lichtentaler Kirche (Katholische Pfarrkirche zu den heiligen 14 Nothelfern) (Alsergrund)

Bron foto: Schubertkirche Wien

In 1774 bouwde Johann Michael Panzer een nieuw tweeklaviers mechanisch sleepladen-orgel met vrij pedaal en in totaal 22 stemmen voor de parochiekerk van Lichtental in Wenen. Het instrument werd geplaatst in een prachtige barokke kas, die versierd werd met houtsnijwerk van de hand van Raymund Sieß. Het kerkgebouw is bekend geworden doordat de ouders van Franz Schubert hier trouwden, en ook werd Franz hier gedoopt. Schubert’s broer Ferdinand was van 1812 tot 1820 organist in de kerk, waar Schubert het orgel ook persoonlijk heeft bespeeld en waar verschillende koorwerken van Schubert voor het eerst zijn uitgevoerd. De kerk staat dan tegenwoordig ook bekend onder de naam Schubertkirche. Gedurende de negentiende eeuw werd het orgel enkele malen gereviseerd. Het pedaalklavier werd daarbij uitgebreid van twaalf tonen naar twee-en-twintig (C-a). Ook werd de samenstelling van de mixturen gewijzigd en is het orgel in een evenredig zwevende temperatuur gestemd. Omdat het orgel in slechte staat verkeerde, besloot men in 1912 om het te vervangen door een modern instrument. Deze plannen konden echter pas na de Eerste Wereldoorlog worden uitgevoerd. In 1917 moesten de oude frontpijpen worden ingeleverd voor oorlogsdoeleinden. In 1923 bouwde de firma Cäcilia uit Klosterneuburg een vrijwel nieuw orgel in de oude kassen, naar plannen van Vinzenz Goller, directeur van deze firma. Enkele stemmen uit het oude orgel werden opnieuw gebruikt. Het nieuwe orgel werd ontworpen als concertorgel, met drie manualen en veertig stemmen. Op 10 februari 1924 kon het worden ingewijd. Het rein-pneumatische orgel vertoonde al snel mankementen. In 1943 is de tractuur geëlektrificeerd, werd een nieuwe speeltafel geplaatst en zijn enkele wijzigingen in de dispositie doorgevoerd. Deze werkzaamheden werden uitgevoerd door de firma Dreher & Flamm, maar konden door oorlogsomstandigheden niet worden voltooid. Na de oorlog werkte Johann Kaufmann in 1954 aan het orgel, waarna het weer geheel bespeelbaar was. Steeds terugkerende storingen, een voorkeur voor een mechanisch orgel en het verlangen naar een bij de kassen passend instrument zorgden er voor dat vanaf 1976 gestreefd werd naar een nieuwbouw in de stijl van Panzer. Als adviseurs werden Hans Haselböck, Josef Mertin, Peter Planyavsky en Otto Biba aangesteld. In 1984 is door Helmut Kögler van de Oberösterreichische Orgelbauanstalt een nieuw mechanisch sleepladen-orgel in de oude kas gebouwd. Enkele nog aanwezige stemmen uit 1774 zijn opnieuw gebruikt. Op 15 september 1984 werd het instrument opnieuw in gebruik genomen. Daarbij heeft Hans Haselböck het orgel bespeeld. De stemmingstemperatuur is evenredig zwevend en de toonhoogte is a1 = 440 Hz.

Dispositie:

Hauptwerk: C-g3  Prinzipal 8′, Flöte 8′ – 1774, Viola-Gamba 8′, Quintatön 8′, Oktav 4′, Flöte 4′ – 1774, Quinte 2 2/3′, Superoktav 2′, Terzian 2 fach (1 3/5’+1 1/3′), Mixtur Minor 4-5 fach (1 1/3′), Mixtur Major 4-6 fach (2 2/3′).
Positiv: C-g3  Gedeckt 8′ – 1774, Prinzipal 4′, Gedecktflöte 4′, Dulziana 4′, Oktav 2′, Quinte 1 1/3′, Mixtur 3-4 fach (1′), Oboe 8′.
Pedal: C-f1 Violonbaß 16′ – 19e eeuw, Subbaß 16′ – 19e eeuw, Prinzipalbaß 8′, Oktavbaß 8′ – 19e eeuw, Sopranbaß 4′, Cornett 3 fach (4’+2 2/3’+2′), Posaune 16′.
Koppelingen: Hauptwerk – Positiv, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Positiv.