- In 1883-1884 bouwde de firma Wilhelm Sauer Orgelbau een groot mechanisch concertorgel voor de grote zaal van het Rudolfinum in Praag. Het instrument had 50 registers, verdeeld over drie manualen en pedaal. Op 9 april 1884 werd het opgeleverd en gekeurd door Anton Bruckner en door prof. Langer uit Leipzig. Het orgel werd op 7 februari 1885 officieel in gebruik genomen. Bij de ingebruikneming werd het onder meer bespeeld door Anton Bruckner.
- Het orgel heeft in het Rudolfinum tot 1925 gefunctioneerd. Het gebouw was in 1918 in gebruik genomen als parlementsgebouw voor de republiek Tsjechoslowakije. Het orgel was hierdoor overbodig. Het werd overgeplaatst door J. Mölzer naar de grote zaal van het conservatorium in Brno. De tractuur werd door Mölzer vervangen door pneumatiek. In 1930 heeft de firma Gebr. Rieger een ingrijpende ombouw uitgevoerd, omdat het orgel niet goed functioneerde. Zij vernieuwden de pneumatiek en wijzigden ook de dispositie.
- In 1940 werd het parlementsgebouw buiten gebruik gesteld en weer ingericht als concertzaal. Onder advies van Anton Nowakowski bouwde de firma Rieger in 1941/1942 opus 2990. Een groot nieuw concertorgel met 55 stemmen voor de zaal. Het originele front van Sauer werd weeer uit Brno teruggehaald en voor het orgel geplaatst. In 1957 breidde de firma Rieger-Kloss het instrument uit tot 70 stemmen. Onder advies van Jiří Reinberger werd in 1975 een nieuw orgel gebouwd als opus 3437 van de firma Rieger-Kloss, waarbij een deel van het bestaande pijpwerk opnieuw werd gebruikt, evenals het Sauer-front uit 1884.
- Van het Sauer-orgel dat in Brno was achtergebleven is niet veel over. Er is een nieuw orgel gebouwd, waar nog enkele registers van Sauer in aanwezig zijn. Ook bestaat de speeltafel van Sauer nog steeds. Het meubel staat in het conservatorium.
- Het huidige orgel van het Rudolfinum heeft mechanische toetstractuur, elektrische registertractuur, sleepladen, 63 (61) stemmen, 4 manualen en een vrij pedaal.
Dispositie:
Hauptwerk (C-a3): 58 toetsen Prinzipal 16′, Prinzipal 8′, Rohrflöte 8′, Oktave 4′, Hohlflöte 4′, Quinte 2 2/3′, Superoktave 2′, Grosse Mixtur 5-6 fach (2′), Kleine Mixtur 4 fach (1′), Fagott 16′, Trompete 8′.
Positiv (C-a3): 58 toetsen Gedackt 8′, Quintadena 8′, Violflöte 8′ – C-H gecombineerd met Gedackt, Prinzipal 4′, Spillflöte 4′, Oktave 2′, Querflöte 2′, Quinte 1 1/3′, Superoktave 1′, Sesquialtera 2 fach, Scharf 5 fach (1′), Krummhorn 8′, Schalmei 4′, Tremolo – Instelbaar.
Schwellwerk (C-a3): 58 toetsen Bordun 16′, Prinzipal 8′, Koppelflöte 8′, Spitzgambe 8′, Oktave 4′, Blockflöte 4′, Nasard 2 2/3′, Waldflöte 2′, Terz 1 3/5′, Vibrato 1-2 fach (4′ + 8′), Mixtur 4-5 fach (1 1/3′), Zimbel 3 fach (1/3′), Harmonische Trompete 8′, Oboe 8′, Clairon 4′, Tremolo – Instelbaar.
Solowerk (C-a3): 58 toetsen Holzprinzipal 8′, Harmonische Flöte 4′, Flachflöte 2′, Prinzipalmixtur 7 fach (4′), Kornett 3-5 fach (from c°), Quintsept 1-2 fach (1 1/3′ + 1 1/7′), Bombard 16′, Solotrompete 8′, Feldtrompete 4′.
Pedal (C-g1): 32 toetsen Prinzipalbass 16′, Subbass 16′, Bordun 16′ – transmissie, Quintbass 10 2/3′, Oktave 8′, Spitzflöte 8′, Superoktave 4′, Rohrgedackt 4′, Nachthorn 2′, Rauschbass 3 fach (5 1/3′), Mixtur 6 fach (2 2/3′), Kontraposaune 32′, Posaune 16′ – extensie, Trompete 8′, Clarino 4′.
Couplers: Hauptwerk – Positiv, Hauptwerk – Schwellwerk, Hauptwerk – Solowerk, Positiv – Schwellwerk, Positiv – Solowerk, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Positiv, Pedal – Schwellwerk, Pedal – Solowerk.
Accessories: 8 electrische combinaties (generaal), 2 gedeelde combinaties, Plenum, Tutti, Walze (register-crescendo), Tongwerken af.