Foto: Stefan Braun (Köln) © 2026
Voor Nederlands: zie onder Duitse tekst
Deutsch:
Der Liebfrauendom erhielt in den 1980er- und 1990er-Jahren eine aus 4 Orgeln bestehende Gesamtanlage als Neubau der Orgelbauwerkstatt Georg Jann (D-Alkoven bei Regensburg). Im Kirchenschiff sind dies die Hauptorgel (IV/95) und die 1993 erbaute Chororgel, auch Andreasorgel genannt (III/36 P). Sie befindet sich im südlichen Seitenschiff über dem sog. Brautportal an der Seitenwand des Doms in einer Orgelnischenempore. Vom Spieltisch der Andreasorgel aus kann man über die Crescendowalze die Hauptorgel anspielen; umgekehrt kann man von der Hauptorgel aus die komplette Andreasorgel registrieren und spielen. Die Orgel hat Schleifladen, eine Doppeltraktur (vollmechanisch plus elektrisch für die „Fernansteuerung“), eine Setzeranlage und einen Cymbelstern.
Nederlands:
De Onze-Lieve-Vrouwekathedraal kreeg in de jaren 80 en 90 een nieuw orgelsysteem bestaande uit vier instrumenten, gebouwd door de orgelwerkplaats Georg Jann (Alkoven, nabij Regensburg, Duitsland). In het schip bevinden zich het hoofdorgel (IV/95) en het koororgel, ook wel bekend als het Andreasorgel (III/36 P), gebouwd in 1993. Dit laatste is geplaatst in het zuidelijke zijschip, boven het zogenaamde Bruidsportaal in de zijwand van de kathedraal, in een orgelnis. Vanaf de speeltafel van het Andreasorgel kan het hoofdorgel bespeeld worden via de crescendo-rol; omgekeerd kan het gehele Andreasorgel geregistreerd en bespeeld worden vanaf het hoofdorgel. Het orgel heeft sleepladen, een dubbele tractuur (volledig mechanisch, aangevuld met een elektrisch systeem voor bediening op afstand), een combinatie-systeem en een Cymbelstern.
Dispositie:
I. HAUPTWERK (C – a3) 58 TOETSEN: Principal 16′, Principal 8′, Bourdon 8′, Octave 4′, Quinte 2 2/3′, Superoctave 2′, Cornett 5 fach (from f°), Mixtur 6 fach (1 1/3′), Trompete 8′, Clairon 4′.
II. OBERWERK (C – a3) 58 TOETSEN: Principal 8′, Rohrflöte 8′, Octave 4′, Blockflöte 4′, Nasat 2 2/3′, Flautino 2′, Terz 1 3/5′, Scharff 4 fach (1′), Dulcian 16′, Oboe 8′, Tremulant.
III. BRUSTWERK (IN ZWELKAST) (C – a3) 58 TOETSEN: Holzgedackt 8′, Salicional 8′, Holzflöte 4′, Principal 2′, Quinte 1 1/3′, Cymbel 3 fach (2/3′), Cromorne 8′, Tremulant, Cymbelstern.
PEDAL (C – f1) 30 TOETSEN: Principal 16′, Subbaß 16′, Octavbaß 8′, Gedecktbaß 8′, Nachthorn 4′, Hintersatz 4 fach (2 2/3′), Bombarde 16′, Posaune 8′, Zinke 4′.
KOPPELINGEN: Hauptwerk – Oberwerk, Hauptwerk – Brustwerk, Oberwerk – Brustwerk, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Oberwerk, Pedal – Brustwerk.
SPEELHULPEN: 64 electronische combinaties, Crescendo-Walze.


