Foto’s: Stefan Braun (Köln) © 2026
Voor Nederlands: Zie onder Duitse tekst
Deutsch:
Die Orgel wurde 1936 durch G. F. Steinmeyer & Co. (D-Oettingen) als deren opus 1620 erbaut. Sie wurde während des zweiten Weltkriegs ausgelagert und hat deshalb die weitgehende Zerstörung des ganzen Stadtviertels überlebt. 1948 und 1964 wurde die Orgel erweitert und neu intoniert. 2014 musste der Spieltisch von Orgelbau Lenter (D-Großsachsenheim) notdürftig instandgesetzt werden. Erst 2024/25 konnte eine Generalsanierung durch Orgelbau Mühleisen (D-Leonberg) erfolgen, bei der die Elektrik erneuert und das Instrument klanglich an den 2010 veränderten Kirchenraum angepasst wurde; außerdem wurde ein zusätzlicher neuer Konzertspieltisch mit vielfältigen Möglichkeiten installiert. Elektro-pneumatische Taschenladen mit elektrischer Registertraktur. Einige Grundregister des Schwellwerks sind für die Superkoppeln bis g‘‘‘‘ ausgebaut. Zimbelstern, Crescendowalze, Setzeranlage, Sostenuto, Registerfessel. Pedalteilung. III / 51 P plus 5 Transmissionen SW à PED, wobei die beiden Register des „Solo“ für jedes Manual separat einsetzbar sind.
Nederlands:
Het orgel werd in 1936 gebouwd door G. F. Steinmeyer & Co. (D-Oettingen) als hun opus 1620. Het werd tijdens de Tweede Wereldoorlog geëvacueerd en overleefde daardoor de grootschalige verwoesting van de hele quartier. Het orgel werd in 1948 en 1964 uitgebreid en opnieuw geïntoneerd. In 2014 moest de speeltafel tijdelijk gerepareerd worden door orgelbouwer Lenter (D-Großsachsenheim). Een volledige restauratie door orgelbouwer Mühleisen (D-Leonberg) was pas in 2024/25 mogelijk. Tijdens deze restauratie werd de elektrische installatie vernieuwd en de klank van het instrument aangepast aan de akoestiek van de kerk, die in 2010 was gewijzigd. Ook werd een extra nieuwe concertspeeltafel met een breed scala aan mogelijkheden geïnstalleerd. Het orgel is voorzien van elektropneumatische membraanladen. Sommige zwelwerk-registers zijn uitgebreid met superkoppelingen tot g””. Cymbelstern, crescendo-rol, setzercombinaties, “sostenuto”, “registerfessel”, pedaalindeling. III / 51 P plus 5 transmissies SW à PED, waarbij de twee “Solo”-registers afzonderlijk voor elk klavier kunnen worden gebruikt.
Dispositie:
I. HAUPTWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Bourdon 16‘, Prinzipal 8‘, Rohrflöte 8‘, Gemshorn 8‘, Oktav 4‘, Flöte 4‘, Nasard 2 2/3‘, Ital. Prinzipal 2‘, Mixtur 6fach 1 1/3‘, Trompete 8‘, Koppel II an I, Subkoppel II an I, Superkoppel II an I, Koppel III an I, Subkoppel III an I, Superkoppel III an I.
II. POSITIV (C – g3) 56 TOETSEN: Quintade 16‘, Prinzipal 8‘, Gedeckt 8‘, Violflöte 8‘, Quintade 8‘, Prinzipal 4‘, Nachthorn 4‘, Oktav 2‘, Quinte 1 1/3‘, Sesquialter 2fach 2 2/3‘, Scharff 4fach 1‘, Cromorne 8‘, Tremulant, Koppel III an II, Subkoppel III an II, Superkoppel III an II.
III. SCHWELLWERK (C – g3 bzw. g4) 56 bzw. 68 TOETSEN: Gedeckt 16‘, Geigenprinzipal 8‘ nieuw 2025, Liebl. Gedeckt 8‘, Holzflöte 8‘, Salizional 8‘, Vox coelestis 8‘, Oktav 4‘, Rohrflöte 4‘, Quinte 2 2/3‘, Waldflöte 2‘, Terz 1 3/5‘, Sifflet 1‘, Plein jeu 6fach 2‘, Trompete 16‘, Trompete 8‘, Oboe 8‘, Klarine 4‘, Tremulant, Subkoppel III/III, Superkoppel III/III.
SOLO (C – g3) 56 TOETSEN: Kornett 3-5fach, Soloflöte 8‘ (ausgebaut bis g4) nieuw 2025.
PEDAL (C – f1) 30 TOETSEN: Prinzipal 16‘, Subbass 16‘, Gedeckt 16‘ Transm. aus SW, Quinte 10 2/3‘, Oktav 8‘, Liebl. Gedeckt 8‘ Transm. aus SW, Choralbass 4‘, Rohrflöte 4‘ Transm. aus SW, Rohrpfeife 2‘, Mixtur 4fach 2‘, Posaune 16‘, Trompete 8‘, Oboe 8‘ Transm. aus SW, Klarine 4‘ Transm. aus SW, Koppel I an P, Koppel II an P, Koppel III an P.


