Foto’s: © janco.schout@wolmail.nl
Tijdens het twaalfjarig bestand (1609-1621) nam men in Den Bosch het besluit om een groot orgel te laten bouwen. De opdracht werd gegeven aan de Brusselse bouwer Matthijs Langhedul. Dit ging wegens politieke omstandigheden niet door. Frans Simonsz heeft wel alvast de orgelkas gebouwd, samen met steenhouwer Joris Deur en beeldsnijder Georg Schysler. In 1618 sloot men een contract met Floris Hocque (jr.). Het orgel werd in 1622 opgeleverd, maar pas in 1628 werd om een keuring verzocht. De keuring heeft plaatsgevonden in 1634. Inmiddels was Hocque gestorven. Zijn meesterknecht Hans Goltfuss werd betaald voor de werkzaamheden, maar het orgel werd volledig afgekraakt. Vader en zoon Hagerbeer kregen de opdracht om het instrument te verbeteren. Zij werkten van 27 april tot 1 november 1634 aan het orgel. Nu kwam het orgel wel door de keuring.
In de zeventiende eeuw werden kleine veranderingen aangebracht. Wel ging de kwaliteit van het instrument achteruit. Het onderhoud werd verricht door de organisten van de kerk. In 1713 werd Cornelis Hoornbeeck gevraagd een rapport te maken. Hij adviseerde een restauratie en herstel van enkele zaken. In 1715 begon hij met de werkzaamheden. Uiteindelijk voltooide hij in 1718 de restauratie. Zijn meesterknechts Christian en Andries Müller hadden ook aan de revisie meegewerkt. Hoewel het orgel werd goedgekeurd, bleven er enkele wensen voor moderniseringen bestaan. Na de dood van Hoornbeeck in 1720 nam Christian Müller het werk over. In 1722 werden het orgel gewijzigd. Hij onderhield het instrument tot 1744. Daarna nam J.H.H. Bätz dit over tot 1770. In de jaren hierna verviel het orgel steeds meer. Anastasius Meinhards uit Frankenberg (Hessen) voerde herstelwerkzaamheden uit van 1775 tot 1777, die echter zeer dramatisch uitpakte: het orgel verkeerde in een slechtere staat dan voor de reparaties.
De Nijmeegse bouwer A.F.G. Heijneman heeft de restauratie op zich genomen, en voltooide deze in 1787. De dispositie van Heijneman werd het uitgangspunt van de restauratie in 1983/1984.
In de 19e eeuw werd het onderhoud van het orgel verricht door Heijneman, Delhaye, Verbeeke, Kuerten en Stöcker, Graindorge en Van Paeschen. Niet allemaal orgelbouwers: Verbeeke en Van Paeschen waren organist van de Sint Jan. In 1869/1870 maakte Vollebregt het orgel grondig schoon en voerde hij restauratie uit. Jos Callaerts keurde het instrument op 26 april 1870.
Hierna werd het orgel op een zeer ingrijpende manier omgebouwd: in de jaren 1897-1902 werd het werk door de Gebroeders Franssen uit Roermond uitgevoerd. Het rugwerk werd leeggehaald. Zij bouwden in de hoofdkas 66 stemmen, legden een pneumatische tractuur aan en er werden veel moderne hogedrukstemmen geplaatst. De speeltafel werd gedeeltelijk in het rugwerk geplaatst. De kas werd ook deels verzaagd om alles te kunnen plaatsen. Op 24 februari 1902 werd het instrument weer officieel in gebruik genomen. Na de wijding verzorgden de organist van de kathedraal, Peter Kallenbach en Jos A. Verheijen, organist te Amsterdam, het inauguratieconcert. Het instrument vertoonde echter al snel veel mankementen.
Pas in 1951 begon een nieuwe renovatie: Verschueren stelde een plan op waarbij al het oude pijpwerk weer tot haar recht zou kunnen komen. Adviseurs bij het werk waren dr. P.J. de Bruyn, Hub. Houët en Piet Hörmann. Het rugwerk werd weer in ere hersteld. In 1953 werd het nieuwe orgel opgeleverd: een instrument met 72 stemmen, 4 manualen en een vrij pedaal. Nog altijd was het orgel te groot voor de kas. De tractuur werd nu elektro-pneumatisch aangelegd, maar wel met sleepladen. Mgr. Mutsaerts wijdde het orgel plechtig in op 6 juni 1953.
Na de grote kerkrestauratie tussen 1975 en 1983 vond ook een restauratie van het orgel plaats. De firma Flentrop voerde een reconstructie uit en verkleinde het instrument tot een rein-mechanisch orgel met 48 stemmen, 3 manualen en een vrij pedaal in de toestand van 1787. Een deel van het latere pijpwerk (Vollebregt) is wel bewaard, de rest werd vernietigd. Op 15 en 16 december 1984 kon het vernieuwde orgel officieel in gebruik worden genomen en aan het publiek worden gepresenteerd. Hierbij werd het instrument bespeeld door Huub ten Hacken en Maurice Pirenne.
De toonhoogte van het orgel is a’ = 415 Hz. de stemmingstemperatuur is gelijkzwevend en de winddruk is 78 mm.
De dispositie van het orgel: (1617/1622 Hocque, ook latere wijzigingen)
HOOFDWERK (C – f3) 54 TOETSEN: Praestant 16, Bourdon 16, Praestant 8, Holpijp 8, Octaaf 4, Tertiaan 3 1/5, Quint 2 2/3, Octaaf 2, Mixtuur VII, Trompet 16, Trompet 8.
RUGWERK (C – f3) 54 TOETSEN: Praestant 8, Holpijp 8, Quintadeen 8, Fluyt travers 8 D, Octaaf 4, Fluyt dous 4, Superoctaaf 2, Flageolet 1, Mixtuur V, Sexquialter II, Trompet 8, Dulciaan 8, Tremulant.
BOVENWERK (C – f3) 54 TOETSEN: Quintadena 16, Praestant 8, Roerfluyt 8, Viola di Gamba 8, Octaaf 4, Open fluyt 4, Quintfluyt 3, Octaaf 2, Open Fluyt 2, Sexquialter II, Cornet V, Carillon III D, Trompet 8, Hautbois 8, Vox humana 8, Tremulant.
PEDAAL (C – f1) 30 TOETSEN: Praestant 32, Praestant 16, Bourdon 16, Octaaf 8, Gedekt 8, Octaaf 4, Bazuin 16, Trompet 8, Clairon 4, Cornet 2.
KOPPELINGEN: Pedaal – Hoofdwerk, Pedaal – Rugwerk, Hoofdwerk – Rugwerk, Hoofdwerk – Bovenwerk, Rugwerk – Hoofdwerk.
| Vulstem | Samenstelling |
| Mixtuur VII sterk (Hoofdwerk) | C: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 4/5′ – 2/3′ – 1/2′ – 1/2′. c°: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 3/5′ – 1 1/3′ – 1′ – 4/5′. c’: 5 1/3′ – 4′ – 3 1/5′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 3/5′ – 1 1/3′. c”: 8′ – 5 1/3′ – 4′ – 3 1/5′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′. |
| Mixtuur V sterk (Rugwerk) | C: 1′ – 4/5′ – 2/3′ – 1/2′ – 2/5′. c°: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 4/5′ – 2/3′. c’: 2 2/3′ – 2′ – 1 3/5′ – 1 1/3′ – 1′. c”: 4′ – 3 1/5′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 3/5′. |
| Sexquialter II sterk (Rugwerk) | C: 1 1/3′ – 4/5′. c°: 2 2/3′ – 1 3/5′. |
| Sexquialter II sterk (Bovenwerk) | C: 2 2/3′ – 1 3/5′. |
| Cornet V sterk discant (Bovenwerk) | c’: 8′ – 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 3/5′. |
| Carillon III sterk discant (Bovenwerk) | c’: 4′ – 1 3/5′ – 1′. |





