Anloo, Magnuskerk, Hoofdorgel

Foto’s: Dick Sanderman ©  2004

  • In 1716 heeft Anna Geertruyd Ellents, geboren Sicherman, een orgel geschonken aan de kerk van Anloo. Jan Radeker en Rudolf Garrels, leerlingen van Arp Schnitger, bouwden het samen. Op 16 oktober 1718 werd het instrument in gebruik genomen, maar het was toen nog niet geheel voltooid. In 1719 kon het worden gekeurd. Na 1723 kwam het orgel bij Frans Caspar Schnitger in onderhoud, en vanaf 1729 bij Hinsz, tot diens dood in 1785. Opvolgers van Hinsz werden Dirk Lohman en C. Scheuer. B.J. Freytag heeft in 1823 het orgel gerepareerd en liet het in 1824 opnieuw schilderen. Hij verving in 1827 de klavieren door nieuwe exemplaren. Er is in deze periode ook het een en ander aan de dispositie gewijzigd, wat goed te zien is door de oorspronkelijke dispositie te vergelijken met die volgens Broekhuijsen. De onderhoudswerkzaamheden gingen verder o.a. naar de firma’s Lohman en Doornbos.
  • Tussen 1944 en 1948 werd het orgel door Mense Ruiter gerestaureerd. Het orgel had nog altijd een aangehangen pedaal. Het bleek dat er drie stemmen waren verdwenen: de Mixtuur en Sexquialter van het Hoofdwerk en de Scherp van het Borstwerk. Mense Ruiter maakte een nieuwe Mixtuur IV-V sterk, maar de andere plaatsen bleven leeg. Mense Ruiter breidde de manuaalomvang uit tot f”’, bouwde de registertractuur om, bracht de winddruk op 70 mm en heeft het werk opnieuw geïntoneerd. De restauratie werd onder advies van mr. A. Bouman uitgevoerd. Op 24 oktober 1948 werd het orgel met een bespeling door Aart Smits uit Den Haag in gebruik genomen.
  • In 1983 werd besloten het orgel zoveel mogelijk te reconstrueren. Klaas Bolt werd als adviseur aangesteld, in samenwerking met Stef Tuinstra. Het werk werd in 1991 opgedragen aan Henk van Eeken. Door het overlijden van Bolt in 1990 was Stef Tuinstra als hoofdadviseur aangesteld, en men trok Harald Vogel aan als tweede adviseur. De werkplaats van Van Eeken werd op 12 april 1995 getroffen door een brand. Hierbij ging een derde deel van het pijpwerk, enig houtsnijwerk, oude pijpstokken en roosters en de klaviatuur verloren. De kas en de windladen zijn gelukkig gespaard gebleven. Op 26 juni 1999 is het orgel opnieuw in gebruik genomen, maar de restauratie was nog niet voltooid. Stef Tuinstra trok zich in 2000 terug als adviseur. Aan de hand van de gemaakte tekeningen en het originele bestek kon alles exact worden gereconstrueerd. Ook waren van het pijpwerk al voor de brand alle mensuren vastgelegd. Voor het maken van de nieuwe pijpen volgde Van Eeken een historisch verantwoord procédé dat door de universiteit van Göteborg is ontwikkeld. Hij heeft het orgelmetaal op een zandbed gegoten, waardoor het een grotere hardheid verkreeg. Op verzoek van de kerkvoogdij is het orgel na de restauratie met een zelfstandig pedaal met vier stemmen uitgebreid, dat is ontworpen in de stijl van de Noord-Duitse school.

Dispositie:

Hoofdwerk:
Quintadena 16
Principael 8
Roerpijp 8
Octav 4
Spitspijp 4
Quint 3
Super Octav 2
Mixtuur 4-5-6 st.
Sexquialter 2 st.
Trompet 8
Vox Humana 8 
Borstwerk:
Gedackt 8
Floit 4
Octav 2
Sijfloit 1 1/2
Scherp 3 st.
Dulciaen 8
Pedael:
Bourdon  16
Octaaf 8
Basuyn16
Cornet 4

Speelhulpen:
Tremblant
3 Sperventielen

2 koppels
Manuaal-Borstwerk