Foto’s: Stefan Braun (Köln) © 2026
Voor Nederlands: Zie onder Duitse tekst
Deutsch
Die Kirche – im Volksmund „Die kleine Wies“ genannt (unter Verweisung auf d i e berühmte Wieskirche, die nur ca. 30 km entfernt ist) – gilt als eine der schönsten Rokoko-Kirchen des ganzen Allgäus. 1733 erhielt sie eine Orgel eines unbekannten Orgelbauers, deren Hauptgehäuse später mit Seitenfeldern erweitert wurde. Nach zahlreichen Veränderungen installierten Hermann und Albert Späth (D-Ennetach) 1906 eine neue elektro-pneumatische Orgel im alten Gehäuse. Sie wurde 1922 und 1927 von Gebr. Späth auf III / 47 P erweitert. Gebr. Sandtner (damals D-Steinheim/Donau) führten 1964 einen grundlegenden Umbau mit Dispositionsveränderung durch. Große Teile des Pfeifenwerks wurden weiterverwendet und es wurde ein Rückpositiv hinzugefügt, die Orgel hatte dann III / 41 P.
Der letzte große Umbau erfolgte 2006 durch Orgelbau Heiß (D-Vöhringen); er hatte fast den Umfang eines Neubaus. Dabei wurde das Rückpositiv wieder entfernt, umgebaut und in derselben Kirche als 5-registrige Chororgel weiterverwendet. (Meine Fotos zeigen den Stand 2024 ohne und auch den alten Zustand mit Rückpositiv 1990.) Seitdem hat sie die heutige Disposition mit II / 34 P. Verlässliche Quellen zum Windladen- und Traktursystem liegen mir noch nicht vor; angesichts der Umbaujahre (1964/2006) und des Umstands, dass es eine Subkoppel und eine Setzeranlage gibt, ist eine Schleifladenorgel mit mechanischer Spiel- und elektrischer Registertraktur naheliegend.
Nederlands
De kerk – in de volksmond bekend als “Die kleine Wies” (verwijzend naar h e t beroemde Wieskirche, die zich op slechts ongeveer 30 km afstand bevindt) – wordt beschouwd als een van de mooiste rococo-kerken in de hele Allgäu. In 1733 werd een orgel van een onbekende bouwer geplaatst tussen de eerste en tweede galerij. De orgelkast werd later uitgebreid met zijpanelen. Naar talloze aanpassingen installeerden Hermann en Albert Späth (Ennetach, Duitsland) in 1906 een nieuw elektropneumatisch orgel in de oude kast. Het werd in 1922 en 1927 door Gebr. Späth uitgebreid tot III / 47 P. In 1964 voerden de Gebr. Sandtner (destijds Steinheim/Donau, Duitsland) een grondige verbouwing uit met wijzigingen aan de dispositie. Grote delen van het pijpenwerk werden hergebruik, en er werd een Rückpositiv toegevoegd, waardoor het orgel III / 41 P kreeg.
De laatste grote restauratie werd in 2006 uitgevoerd door Orgelbau Heiß (D-Vöhringen); het had bijna de grootte van een nieuw orgel. Het Rückpositiv werd verwijderd, herbouwd en hergebruikt als 5-registers-koororgel in dezelfde kerk. (Mijn foto’s uit 2024 en 1990 tonen de huidige staat (zonder de RP) en ook nog de oude staat met de RP.) Sindsdien heeft het zijn huidige configuratie met II / 34 P. Ik heb nog geen betrouwbare bronnen over het windladen- en tractuursysteem; gezien de jaren van de restauratie (1964/2006) en de aanwezigheid van een sub-coupler en een combinatie-systeem, lijkt een sleepladenorgel met mechanisch toetsen- en elektrisch registertractuur waarschijnlijk.
Dispositie:
I. HAUPTWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Quintadena 16′, Principal 8′ – 1966, Gemshorn 8′, Bourdon 8′, Octave 4′, Spitzflöte 4′ – 1966, Quinte 2 2/3′, Octave 2′, Mixtur 6 fach (1 1/3′) – 1966, Trompete 8′, Clairon 4′.
SCHWELLWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Principal 8′, Nachthorngedackt 8′, Salicional 8′, Principal 4′ – 1966, Flöte 4′, Quinte 2 2/3′, Principal 2′, Terz 1 3/5′, Quinte 1 1/3′ – 2006, Scharff 5-6 fach (1′) – 1966, Dulcian 16′, Basson 8′, Trompette Harmonique 8′ – 2006, Tremulant.
PEDAL (C – f1) 30 TOETSEN: Subbass 16′, Bourdon 16′, Octave 8′, Gedacktbass 8′, Quintbass 5 1/3′, Choralbass 4′, Rauschbass 4 fach (2 2/3′), Posaune 16′, Fagott 8′ – 1966, Clairon 4′ – 2006.
KOPPELINGEN: Hauptwerk – Schwellwerk, Hauptwerk – Schwellwerk Suboktavkoppel – 2006, Schwellwerk – Schwellwerk Suboktavkoppel – 2006, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Schwellwerk.
SPEELHULPEN: Setzerkombinationen – 2006.






