Paris, Église Saint-Eustache (1e arrondissement) Hoofdorgel

Foto’s: Piet Bron © 2007

De firma Pierre-Alexandre Ducroquet bouwde in de jaren 1849 tot 1854 samen met Charles Barker een nieuw groot orgel voor de Saint-Eustache in Parijs (Paris (75)) Frankrijk. Het front is vervaardigd door Victor Baltard. César Franck, Jacques Nicolas Lemmens, Piétro Cavallo, Auguste-Erneste Bazille en Edouard Batiste bespeelden het instrument bij de ingebruikname op 26 mei 1854. Als gevolg van de Commune in 1871 liep het orgel schade op. Herstel liet op zich wachten tot 1878. In dat jaar begon Joseph Merklin met een grote restauratie en uitbreiding tot 72 stemmen. De heringebruikname op 21 maart 1879 was een groots concert, met beroemde Parijse organisten: César Franck, Alexandre Guilmant, Théodore Dubois, Eugène Gigout en de nieuwe organist titulaire van de Saint-Eustache, Henri Dallier. Vanaf 1905 was het orgel in bezit van de stad Parijs.

Het orgel bleef tot 1925 goed functioneren. Het begon in dat jaar echter steeds meer storingen te vertonen. Op advies van de toenmalige organist titulaire, Joseph Bonnet, werd het instrument door maison Rinckenbach omgebouwd tot een electro-pneumatisch orgel met een speeltafel en speelhulpen naar Amerikaans model. Rinckenbach ging in 1929 failliet, waarna de werkzaamheden werden voltooid door Victor Gonzalèz. Uiteindelijk had het instruement nu 84 stemmen gekregen. Op 18 februari 1932 werd het in gebruik genomen met een bespeling door Bonnet.

Bonnet’s opvolger, André Marchal, stelde in 1963 weer een verbouwing en uitbreiding voor. Hoewel het werk zou worden gegund aan de firma Gonzalèz, gunde het kerkbestuur het werk aan Jean Hermann. Hierop nam Marchal ontslag. Nadat Hermann in 1965 was overleden was eigenlijk alleen de vijfklaviers speeltafel gereed, met wippers voor 102 stemmen. Gonzalèz voltooide het werk, dat pas op 7 december 1972 in gebruik werd genomen met een bespeling door de nieuwe titulaire, Jean Guillou. De tractuur was echter zeer slecht van kwaliteit, en vijf jaar later, in 1977, moest het orgel al buiten gebruik worden gesteld. Er volgde weer een restauratie, nu door de firma Dunand uit Lyon. Na zes jaar bleek dat alleen de speeltafel gereed was.

Het bestuur van Parijs besloot hierop een geheel nieuw orgel te laten bouwen in de oude kas. De opdracht ging op 29 mei 1986 naar de Nederlandse orgelbouwer Van den Heuvel. Jean-Louis Coignet werd als adviseur aangesteld. Het instrument is ontworpen in Frans-symphonische stijl. Het orgel heeft twee speeltafels: één op de galerij en één verrijdbare speeltafel op de begane grond. Op 21 september 1989 is het orgel officieel in gebruik genomen. Het heeft mechanische toetstractuur, elektrische registertractuur, circa 8000 pijpen, 101 stemmen, 5 manualen en een vrij pedaal. De tweede speeltafel is geheel elektrisch.

In de loop van de jaren werd het kerkgebouw enkele malen getroffen door de bliksem. Hierdoor liep de electronica in het orgel schade op. Omdat reparatie steeds moeilijker werd besloot men het systeem geheel te laten moderniseren. Door de firma Van den Heuvel werd een nieuwe setzer met 10.000 combinaties geplaatst, er werd een USB-aansluiting aangelegd voor het wegschrijven van data. Verder zijn nieuwe koppels geïnstalleerd op de speeltafel op de kerkvloer. Tenslotte zijn mogelijkheden geplaatst om het pedaal te splitsen (Coupure Pédale) en is een nieuw MIDI-systeem geplaatst. In augustus en september 2010 is het orgel ook geheel gereinigd.

Eind 2020 is onderhoud uitgevoerd door Van den Heuvel Orgelbouw. Daarbij werden onder meer de blaasbalgen opnieuw beleerd.

La composition des Grandes Orgues Van den Heuvel: (1989)

GRAND-ORGUE (C – c4) 61 TOETSEN: Montre 32, Montre 16, Principal 8, Grosse Flûte I-II 8, Flûte à cheminée 8,Violoncelle 8, Prestant 4, Flûte 4, Doublette 2, Grande Fourniture IV-VIII rgs, Plein-Jeu IV-V rgs, Sesquialtera II rgs, Grand Cornet II-V rgs, Bombarde 16, Trompette 8, Clairon 4.
GRAND-CHOEUR (C – c4) 61 TOETSEN: Violonbasse 16, Bourdon 16, Diapason 8, Flûte majeure 8, Violon 8, Grande Quinte 5 1/3, Principal 4, Flûte conique 4, Grande Tierce 3 1/5, Quinte 2 2/3, Grande Septième 2 2/7, Fifre 2, Grande Neuvième 1 7/9, Plein-Jeu 16′ II-VIII rgs, Clarinette 16, Tuba Magna 16, Cor de Basset 8, Tuba Mirabilis 8, Cor harmonique 4.
RÉCIT EXPRESSIF (C – c4) 61 TOETSEN: Flûte à cheminée 16, Principal 8, Cor de Nuit 8, Flûte traversière 8, Viole de Gambe 8, Voix céleste 8, Octave 4, Flûte octaviante 4, Octavin 2, Carillon III rgs, Plein-Jeu VI rgs, Contrebasson 32, Bombarde 16, Trompette harmonique 8, Basson-Hautbois 8, Voix-humaine 8, Clairon harmonique 4, Trémolo.
POSITIF (C – c4) 61 TOETSEN: Quintaton 16, Montre 8, Bourdon 8, Salicional 8, Unda-Maris 8, Prestant 4, Flûte à fuseau 4, Nasard 2 2/3, Doublette 2, Tierce 1 3/5, Larigot 1 1/3, Septième 1 1/7, Fourniture V rgs, Cymbale II rgs, Douçaine 16, Cromorne 8, Trompette 8, Clairon 4, Trémolo.
SOLO (C – c4) 61 TOETSEN: Flûte harmonique 8, Flûte octaviante 4, Nasard harmonique 2 2/3, Octavin 2, Tierce harmonique 1 3/5, Piccolo harmonique 1, Harmoniques III rgs, Ranquette 16, Chalumeau 8,
Trompette en chamade I-III 8 rgs, Trompeteria II rgs, Trémolo.
PÉDALE (C – g1) 32 TOETSEN: Principal-basse 32, Contrebasse 16, Flûte 16, Soubasse 16, Grande Quinte 10 2/3, Flûte 8, Violoncelle 8, Grande Tierce 6 2/5, Quinte 5 1/3, Flûte 4, Flûte 2, Théorbe II rgs,
Mixture V rgs, Contre Bombarde 32, Contre Trombone 32, Bombarde 16, Basson 16, Trompette 8, Baryton 8, Clairon 4.

KOPPELINGEN: Réc./Pos., G.O./G.O. en 16′, Pos./G.O., Réc./G.O., G.C./G.O., Solo/G.O., G.C./G.O. alto, Solo/G.O. soprano, Réc./Réc. 16′, Solo./Réc., Pos./Réc., G.C./G.C. 16′, Solo/G.C., Solo/Solo 16′. Tirasses: Pos., G.O., Réc. en 8′ et 4′, G.C. en 8′ et 4′, Solo.

SPEELHULPEN: Crescendo Générale, Appèl Machine Grand-Orgue, MIDI – 2010, 10.000 Combinaisons – 2010, Coupure Pédale – 2010.

Vulstem Samenstelling
Trompeteria 2 rangs (Solo) C: 8′ – 4′. c’: 16′ – 4′. c”: 32′ – 16′.