Foto’s: Wim van der Kooij © 2024
De Sankt Stephankirche in Karlsruhe is in de Tweede Wereldoorlog grotendeels door brand verwoest. Hierdoor is het oude orgel geheel verloren gegaan. Van 1948 tot 1959 heeft men gebruik gemaakt van een noodorgel, dat geleverd was door de firma Walcker. In 1959 bouwde Johannes Klais een nieuw sleepladen-orgel met mechanische toetstractuur, elektrische registertractuur, 4 manualen en een vrij pedaal, dat is opgesteld aan de zuidzijde van het schip. Het instrument werd op 22 november 1959 in gebruik genomen waarbij het bespeeld werd door dr. Karl Winter, organist van de Domkirche te Freiburg. Klais reviseerde het orgel in 1973, waarbij de dispositie werd vergroot naar 54 stemmen. In 1988 plaatste Klais nog enkele registers. Dezelfde firma heeft het orgel in 2000 gerestaureerd. Hierbij werd een Setzeranlage in gebouwd.
In 2011-2012 is het orgel omgebouwd en uitgebreid door de firma Klais . Er is een apart Auxiliar-Werk geplaatst, waarvan de registers via een elektrische verbinding naar keuze op ieder klavier en het pedaal kunnen worden bespeeld. Dit werk bestaat uit een aantal unit-registers. Op 29 september 2012 nam men het orgel weer opnieuw in gebruik. Na de officiële ingebruikname werden een nacht lang concerten gegeven door de organisten Patrick Fritz-Benzing, Carsten Wiebusch, Jörg Schwab en Gerhard Gnann. De firma Schiedmayer plaatste in 2014 een Celesta (Glockenspiel) op het Auxiliarwerk.
Dispositie:
HAUPTWERK (C-g3): 56 TOETSEN Principal 16′, Principal 8′, Viola da Gamba 8′, Gedackt 8′, Octave 4′, Koppelflöte 4′, Superoctave 2′, Kornet 5 fach (8′), Mixtur 4-6 fach (2′), Acuta 3-4 fach (2/3′), Trompete 8′, Spanische Trompete 8′.
OBERWERK (C-g3): 56 TOETSEN Principal 8′, Rohrgedackt 8′, Quintade 8′ (from c°), Octave 4′, Venezianerflöte 4′, Quinte 2 2/3′, Octave 2′, Terz 1 3/5′, Larigot 1 1/3′, Scharff 4 fach (1′), Dulcian 16′, Cromorne 8′, Tremulant.
SCHWELLWERK (C-g3): 56 TOETSEN Gedacktpommer 32′ – akoestisch, Gedacktpommer 16′, Principal 8′, Holzflöte 8′, Gemshorn 8′, Viola 8′, Aeoline 8′, Vox Coelestis 8′ (from c°), Octave 4′, Flûte Octaviante 4′, Salicional 4′, Octavin 2′, Terz 1 3/5′, Mixtur 4-5 fach (2′), Fagott 16′, Trompete Harmonique 8′, Hautbois 8′, Tremulant.
BRUSTWERK (C-g3): 56 TOETSEN Holzgedackt 8′, Rohrflöte 4′, Waldflöte 2′, Septime 1 1/7′, Sifflet 1′, None 8/9′, Terzcymbel 3 fach (1/3′), Vox Humana 8′, Tremulant.
AUXILIARE (2012) (C-g3): 56 TOETSEN Kontrabass 16′ (C-f’), Quinte 10 2/3′ (C-B), Bordun 16′-8′, Harfenprincipal 8′, Flöte 8′-4′-2′, Quinte 5 1/3′-2 2/3”, Weitoctave 4′-2′-1′, Terz 3 1/5′-1 3/5”, Trompete 16′-8′-4′, Glockenspiel – 2014.
Schwellbar: Stentorgambe 8′-4′, Stentorflöte 8′-4′, Klarinette 16′-8′, Tuba 8′-4′ – gereserveerd.
PEDAL (C-f1): 30 TOETSEN Gedacktpommer 32′ – transmissie, Principal 16′, Subbass 16′, Gedacktpommer 16′ – transmissie, Octave 8′, Pommer 8′, Choralbass 4′, Nachthorn 2′, Pedalmixtur 4 fach (2 2/3′), Kontrafagott 32′, Posaune 16′, Trompete 8′, Clarine 4′.
OVERIGE REGISTERS: Cimbelstern.
KOPPELINGEN: Hauptwerk – Oberwerk, Hauptwerk – Schwellwerk, Hauptwerk – Brustwerk, Oberwerk – Schwellwerk, Oberwerk – Brustwerk, Schwellwerk – Brustwerk, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Oberwerk, Pedal – Schwellwerk, Pedal – Brustwerk.
SPEELHULPEN: 3 freie Kombinationen, 1 freie Pedalkombination, Tutti, Zungeneinzelabsteller, Register-Crescendo (Walze), Setzerkombinationen – 2000.


