Foto: © C.Stadler/Bwag; CC-BY-SA-4.0. (Wikimedia Commons)
Met advies van Karl Koch, de organist van de Domkirche in Innsbruck heeft de firma Gebrüder Rieger in 1931 een groot nieuw orgel gebouwd voor de Domkirche Sankt Jakob in Innsbrück. Het vervangt het vorige orgel van Franz Reinisch uit 1892 dat werd overgeplaatst naar de Höttinger Pfarrkirche. Het nieuwe instrument bestond uit een hoofdorgel en een Fernwerk, dat bespeeld werd vanaf een viermanuaals speeltafel op de orgelgalerij. Het werd door Rieger gebouwd als opus 2500. Op 17 november 1931 vond de inwijding van het orgel plaats, waarbij Karl Koch en Karl Walter het bespeelden. Het instrument raakte in 1944 beschadigd door een bominslag. Johann Pirchner repareerde het instrument. Het Fernwerk moest grotendeels nieuw worden gebouwd. In 1979 heeft Heintze uit Nürnberg een revisie uitgevoerd.
Eind jaren negentig werd er besloten om een nieuw orgel te laten bouwen. Het oude werd verkocht aan de parochiekerk van Wien-Breitenfeld. Maar het Fernwerk bleef in Innsbruck achter en kreeg een eigen speeltafel, zodat het een zelfstandig koororgel werd. In Breitenfeld werd het orgel door Peter Kraus opnieuw opgebouwd. Vanwege de kleinere ruimte moest de technische aanleg grotendeels nieuw worden gemaakt. Van het Rieger-orgel werden windladen, speeltafel en pijpwerk vrijwel integraal overgenomen. Bijzonder te noemen is dat de magazijnbalg, die in de torenruimte van de kerk staat opgesteld, nog een overblijfsel is van het eerste orgel van de kerk, gebouwd in 1898 door Matthäus Mauracher & Söhne. Dit orgel werd helaas in 1944 verwoest door oorlogsgeweld.
Omdat het Fernwerk in Innsbruck achter was gebleven heeft Kraus in 2009-2010 een nieuw Fernwerk in Breitenfeld gebouwd, dat als koororgel staat opgesteld. Het is ook voorzien van een eigen speeltafel. De temperatuur van het nieuwe Fernwerk is Werckmeister III, terwijl het orgel verder gelijkzwevend gestemd is. Het koororgel/Fernwerk is op 6 november 2010 ingewijd. Het elektro-pneumatische kegelladen-orgel heeft 66 (62) stemmen, 4 manualen en een vrij pedaal.
Dispositie:
HAUPTWERK (C – a3) 58 TOETSEN: Principal Major 16′, Bourdon 16′, Principal Minor 8′, Rohrgedeckt 8′, Viola da Gamba 8′, Gemshorn 8′, Octav 4′, Rohrflöte 4′, Salicet 4′, Nasard 2 2/3′, Waldflöte 2′, Terz 1 3/5′, Cornett 4-6 fach (2 2/3′), Mixtur 6 fach (2′), Cymbel 3 fach (1′), Dulcian 16′, Trompete 8′, Clairon 4′.
SCHWELLWERK (C – a3) 58 TOETSEN: Fugara 16′, Principal 8′, Tibia 8′, Gamba 8′, Vox Coelestis 8′, Octav 4′, Blockflöte 4′, Violine 4′, Quinte 2 2/3′, Piccolo 2′, Gemshornterz 1 3/5′, Mixtur 4 fach (2′), Trompete Harmonique 8′, Clairon Harmonique 4′.
UNTERWERK (C – a3) 58 TOETSEN: Holzgedeckt 8′, Quintade 8′, Principal 4′, Holzflöte 4′, Superoctav 2′, Quint 1 1/3′, Schwiegel 1′, Mixtur 3 fach (1 1/3′), Krummhorn 8′.
FERNWERK (2010) (C – a3) 58 TOETSEN:
Manual: Weitprästant 8′, Hohlflöte 8′, Salicional 8′, Octav 4′, Spitzflöte 4′, Quint 2 2/3′, Superoctav 2′, Terz 1 3/5′, Mixtur 4 fach (1 1/3′).
Pedal: Subbass 16′.
PEDAL (C – f1) 30 TOETSEN: Principalbass 16′, Violon 16′, Subbass 16′, Bourdon 16′ – transmissie van Hauptwerk, Quintbass 10 2/3′, Octavbass 8′, Gedeckt 8′, Gamba 8′ – transmissie van Schwellwerk, Choralbass 4′, Nachthorn 2′, Pedalmixtur 3-5 fach (1 1/3′), Sordun 32′, Posaune 16′, Trompete 8′ – transmissie van Schwellwerk, Clairon 4′ – transmissie van Schwellwerk.
KOPPELINGEN: Hauptwerk – Schwellwerk, Hauptwerk – Unterwerk, Hauptwerk – Fernwerk, Schwellwerk – Unterwerk, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Schwellwerk, Pedal – Unterwerk, Pedal – Fernwerk, Sub- und Superoktavkoppeln.
SPEELHULPEN: Crescendo Walze, Auto-Pedal, Zungen weg, 16′ weg, Tutti A, Tutti B, Setzer mit 1000 Speicherplätzen.
