In 1875 voltooide Franz Wilhelm Sonreck, destijds een gerenommeerd orgelbouwer in Keulen, zijn orgel Opus 125, een mechanisch sleepladen-orgel met 34 registers, 2 manualen en een vrij pedaal, gehuisvest achter een 5 meter hoog neogotisch front. Hij moest zich aan één voorwaarde houden: het orgel moest zo onopvallend mogelijk zijn. Alleen een consolepaneel in de vorm van een Rückpositiv, voorzien van een register “uitstekend geschikt voor het begeleiden van altaarzang”, mocht “de locatie van het orgel aangeven”.
In de daaropvolgende jaren werd het orgel slecht onderhouden; stemmen en inspectie vonden slechts om de twee jaar plaats, en talrijke stofproducerende werkzaamheden in de kerk droegen bij aan de achteruitgang ervan. Al in 1908 bouwde de orgelwerkplaats Seifert (Kevelaer) een vrijwel nieuw orgel gebaseerd op het “moderne” systeem van pneumatische membraanladen. Het orgel werd een travee verder naar het oosten herbouwd, de neogotische orgelkast werd 90° naar het westen gedraaid en de Veit-orgelkast kreeg een nieuwe plek voor de ruim vier meter brede windkasten tegenover de omgang.
Van de 41 registers waren er 25 afkomstig van het Sonreck-orgel. In 1939 werd het orgel herbouwd, geëlektrificeerd en uitgebreid met een derde sectie achter de panelen van de onderkast. Vijftien Sonreck-registers werden hergebruikt, met uitzondering van de waardevolle pijpen uit 1541. De renaissance-orgelkast werd tijdens de oorlog opgeslagen en bleef daardoor onbeschadigd toen deze, na de bombardementen op de kerk in 1945, enkele maanden aan de elementen werd blootgesteld.
Het orgel werd gedemonteerd tijdens de renovatie van de kerk die in 1989 begon. De 15 Sonreck-registers werden elders opgeslagen en de Sonreck-orgelkast werd teruggeplaatst op zijn oorspronkelijke positie boven de ingang van de sacristie.
Dispositie:
HAUPTWERK (C – f3) 54 TOETSEN: Principal 16′, Bordun 16′, Jubal 8′, Gamba 8′, Octav 4′, Flaut 4′, Quinte 2 2/3′, Super Octav 2′.
Verbindungs-Register: Cornett 4 fach (4′), Mixtur 6 fach, Trompete 16′, Trompete 8′.
NEBENWERK (C – f3) 54 TOETSEN: Gedact 16′, Principal 8′, Viola di Braccio 8′, Rohrflöte 8′, Fernflöte 8′, Gemshorn 4′, Flaut Traver 4′, Mixtur Bass & Cornett Discant, Fagott 16′, Trompete Tenor 8′, Clarinett 8′, Dolcian 8′.
PEDAL (C – d1) 27 TOETSEN: Contrabass 16′, Subbass 16′, Violonbass 16′, Principalbass 8′, Gemshorn 8′, Octav 4′, Flöte 4′.
Verbindungs-Register: Posaune 16′, Trompete 8′, Clairon 4′.
KOPPELINGEN: Hauptwerk – Nebenwerk, Pedal – Hauptwerk.
SPEELHULPEN: Verbindung der Chor- und Zungen-Stimmen des Haupt-Manuals, Zungenstimmen des Pedals.