Foto’s: © Dennis Wubs
Harmen Kröger bouwde in de jaren 1641-1643 een nieuw mechanisch sleepladen-orgel met Hoofdwerk, Rugwerk en vrij pedaal voor de Sankt Aegidiuskirche te Berne. Hij gebruikte hierbij de kas en een deel van het pijpwerk van het vorige orgel dat in 1596 dat gebouwd was door Reinhard von Lampeler. In 1713 werden door Christian Vater het Hoofdwerk en de frontpijpen vernieuwd. De frontpijpen werden gedecoreerd. In 1793 verwijderde een onbekende orgelmaker het rugpositief. Het pijpwerk daarvan werd als bovenwerk in de kas geplaatst. In 1959 is het orgel gerestaureerd en gereconstrueerd door Alfred Führer. Hij maakte ook een nieuwe Rugpositiefkas in oude stijl. Er zijn nog zes registers van Kröger bewaard gebleven. Van Christian Vater zijn ook zes registers bewaard gebleven.
Dispositie:
HAUPTWERK (C – f3) 54 TOETSEN: Quintade 16′ – 1713, Prinzipal 8′ – 1713, Rohrflöte 8′ – 1713, Oktave 4′ – 1713, Quinte 2 2/3′ – 1713, Oktave 2′ – 1713, Gemshorn 2′ – 1959, Mixtur 4-6 fach – 1959, Trompete 8′ – 1959.
RÜCKPOSITIV (C – f3) 54 TOETSEN: Gedackt 8′, Quintade 8′, Prinzipal 4′ – 1959, Flöte 4′, Oktave 2′, Waldflöte 2′ – 1959, Sesquialter 3 fach – 1959, Scharff 4 fach – 1959, Krummhorn 8′ – 1959.
PEDAL (C – f1) 30 TOETSEN: Prinzipal 16′, Oktave 8′, Oktave 4′ – 1959, Mixtur 4 fach – 1959, Posaune 16′ – 1959, Trompete 8′ – 1959, Trompete 4′ – 1959.
KOPPELINGEN: Hauptwerk – Rückpositiv, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Rückpositiv.

