Ahrweiler, Katholische Pfarrkirche Sankt Laurentius

Klik op deze link naar Kirchen-galerie.de voor een foto van het orgel

  • In de jaren 1988-1991 heeft de firma Fischer & Krämer een nieuw binnenwerk in de oude orgelkas van de Katholische Pfarrkirche Sankt Laurentius in Ahrweiler (Rheinland-Pfalz) gebouwd. De orgelkas is een werkstuk van Balthasar König, die in de jaren 1717-1728 een tweeklaviers orgel bouwde. Dit werk werd in 1847-1849 door Engelbert Maaß verbouwd. Maaß heeft de pedaalomvang uitgebreid met één octaaf van C-c naar C-c’.
  • In 1899begon een renovatie en verbouwing van het kerkinterieur. Men besloot ook een nieuw orgel te laten bouwen door de firma Stahlhuth. De oude kas is echter bewaard gebleven, maart deze werd wel voorzien van een nieuwe onderbouw.
  • Na de Tweede Wereldoorlog vertoonde dit instrument steeds meer problemen. In de jaren 1953-1956 heeft de firma Klais een verbouwing uitgevoerd. Het instrument kreeg nu drie manualen. Ook werd een modern vormgegeven rugpositief toegevoegd. Op 11 maart 1956 werd het hernieuwde instrument in gebruik genomen.
  • Bij de nieuwbouw door Fischer & Krämer werd gedeeltelijk pijpwerk gebruikt uit het Stahlhuth/Klais-orgel. Adviseurs tijdens de bouw waren Helmut P. Tramnitz en Klaus-Dieter Holzberger. Op 10 augustus 1991 is het instrument in gebruik genomen waarbij het bespeeld werd door Holzberger. Het orgel werd in 2004 door Fischer & Krämer uitgebreid met een Bombardewerk (Solowerk) met drie hogedruk-registers, dat vanaf het Hauptwerk, Oberwerk en Pedal bespeelbaar is. Dit werk is geplaatst op een galerij aan de zijkant in een eigen orgelkas. Het orgel heeft sleepladen, mechanische toetstractuur, elektrische registertractuur, 50 stemmen, 3 manualen en een vrij pedaal.

Dispositie:

Hauptwerk (C-a3): 58 toetsen Bourdon 16′ – 1903, Principal 8′, Rohrgedeckt 8′, Gemshorn 8′ – 1956, Octave 4′, Duiflöte 4′, Quinte 2 2/3′, Octave 2′, Mixtur 4-5 fach (1 1/3′) – 1956, Cymbel 3 fach (2/3′) – 1956, Trompete 8′, Tremulant.
Oberwerk (C-a3): 58 toetsen Lieblich Gedeckt 8′ – 1956, Quintatön 8′ – 1956, Prästant 4′, Rohrflöte 4′, Nasard 2 2/3′ – 1956, Octave 2′ – 1956, Terz 1 3/5′ – 1956, Larigot 1 1/3′ – 1956, Sifflet 1′, Mixtur 3 fach (1′), Dulcian 16′ – 1956, Krummhorn 8′ – 1956, Tremulant.
Schwellwerk (C-a3): 58 toetsen Flûte Harmonique 8′ – 1903/1988, Bourdon 8′ – 1903, Gambe 8′, Salicional 8′ – 1903/1988, Voix Céleste 8′ – 1903, Principal 4′ – 1903, Flûte Octaviante 4′ – 1903, Octavin 2′ – 1903, Cornet 3-5 fach (2 2/3′), Fourniture 4 fach (2′), Basson 16′, Trompette Harmonique 8′, Hautbois 8′ – 1903, Chalumeau 4′, Tremulant.
Bombardewerk (geen eigen klavier) (C-a3): 58 toetsen Montre 8′, Flûte Harmonique 4′, Tuba 8′.
Pedal (C-g1): 32 toetsen Principal 16′ – 1903, Subbass 16′ – 1903, Quintbass 10 2/3′, Octavbass 8′ – 1903, Gemshornbass 8′, Choralbass 4′ – 1956, Hintersatz 4 fach (2 2/3′), Bombarde 32′, Posaune 16′, Trompete 8′.
Koppelingen: Hauptwerk – Oberwerk, Hauptwerk – Schwellwerk, Oberwerk – Schwellwerk, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Oberwerk, Pedal – Schwellwerk.
Speelhulpen: 128-voudige Setzer-combinatie, Vaste combinaties (p – mf – tutti), Register-crescendo.