Foto’s: Martin de Pooter © 2023
In de Westerkerk uit 1631 werd pas in 1683 een mechanisch sleepladen-orgel geplaatst. Het werd ontworpen en aangenomen door Roelof Barendsz Duytschot. Zijn gezondheid dwong hem echter het werk over te dragen aan zijn zoon Johannes. Hij veranderde het bestek op verschillende punten. Het instrument is op 24 december 1686 opgeleverd. In 1726 kreeg Christian Vater de opdracht om een bovenwerk te maken. Dit werd op 9 februari 1727 in gebruik genomen.
In de volgende eeuwen werd er veel aan het orgel gewijzigd. J.J. Vool maakte in 1786 nieuwe manualen en een nieuw pedaal. Enkele kleine wijzigingen werden in 1830 uitgevoerd door Gabry. Knipscheer vervaardigde in 1844/1845 weer nieuwe klavieren en koppels, waarbij hij een Cis en Dis maakte in het pedaal. In 1895 vernieuwde Steenkuyl manualen en regeerwerk. Een Barkerhefboom werd geïnstalleerd voor het hoofd- en bovenwerk. De registerslepen werden gepneumatiseerd. In 1939 bouwde Verweijs een geheel nieuwe speeltafel met elektrische tractuur. Wat klank aangaat was er ook veel gewijzigd. Knipscheer verwijderde de dubbelkoren en wijzigde de intonatie. Steenkuyl vernieuwde twintig stemmen, waaronder bijna alle tongwerken. Hij bouwde het bovenwerk om tot een Récit Expressif, maar wel zonder zwelkast. In 1939-1940 werd het orgel volledig omgebouwd: het instrument kreeg vier manualen, ze voegden een borstwerk als zwelwerk toe, vergrootten de klavieromvang tot g3 en maakte vele vrije en vaste combinaties. Het werk werd uitgevoerd door Th. Strunk, C. Verweijs en J.C. Sanders. Op zondag 8 december 1940 werd het orgel weer voor het eerst gebruikt tijdens een kerkdienst. De officiële ingebruikname was op zondag 5 januari 1941. Frans Hasselaar, organist van de kerk, heeft het instrument bij beide gelegenheden bespeeld.
Het grote orgel is in de jaren 1990-1992 door D.A. Flentrop herbouwd met als uitgangspunt de situatie van 1727. Adviseur bij de werkzaamheden was Jan Jongepier, die al vanaf 1985 met de voorbereidingen bezig was. De oude windladen konden gespaard blijven. De klavieromvang is hierbij uitgebreid door d3. Op het rugwerk ontbreken nog wel de Cis en de Dis in het groot-octaaf vanwege ruimtegebrek. Verder werden de dubbelkoren hersteld. In vergelijking met de dispositie van 1726 is het orgel met drie tongwerken uitgebreid. Bij de herbouw is meer dan tweederde van het pijpwerk (zo’n 3000 stuks) nieuw gemaakt door Flentrop. Er zijn zich nog 250 pijpen van Duytschot en 277 van Vater in het orgel aanwezig. De frontpijpen van Knipscheer zijn er 108. Tot slot zijn er nog 42 pijpen afkomstig uit de achttiende eeuw, waarschijnlijk gemaakt door Vool. Het enige register van Steenkuyl dat bewaard bleef was de Baarpijp 8′ op het Bovenwerk. Flentrop maakte het nieuwe pijpwerk volgens factuur van Duytschot en Vater. Op 5 april 1992 werd het orgel weer feestelijk in gebruik genomen.
In 2019-2020 voerde Flentrop groot onderhoud uit. Daarna is het instrument weer in gebruik genomen op 18 april 2020 met een speciaal concert door Evan Bogerd. Vanwege de corona-crisis werd dit concert zonder publiek gespeeld en uitgezonden via een livestream op internet.
Het orgel heeft tegenwoordig circa 3800 pijpen, 41 stemmen, 3 manualen en een vrij pedaal. De toonhoogte is a’ = 440 Hz. De stemmingstemperatuur is gelijkzwevend. De winddruk is 74 mm.
De dispositie van het Duyschot-orgel: (1686) / Vater 1727
HOOFDWERK (C – d3) 51 TOETSEN: Prestant 16′ – dubbel vanaf fis’, Octaaf 8′ – dubbel vanaf f’, Quintadeen 8′ – vanaf cis’ Roerfluit, Octaaf 4′ – dubbel vanaf e’, Nasaet 3′ – dubbel vanaf a°, Superoctaaf 2′ – dubbel vanaf c’, Sexquialter III-IV sterk (2 2/3′) (discant), Mixtuur III-VII sterk (2′), Scherp IV-VII sterk (1′), Fagot 16′, Trompet 8′.
RUGWERK (CDEF – d3) 48 TOETSEN: Prestant 8′ – dubbel vanaf A, Holpijp 8′, Quintadeen 8′, Octaaf 4′ – dubbel vanaf f’, Open-Fluit 4′ – dubbel vanaf g’, Octaaf 2′ – dubbel vanaf dis’, Sifflet 1′ – dubbel vanaf c’, Sexquialter II-III sterk (2 2/3′), Mixtuur III-VIII sterk (2′), Scherp III-VIII sterk (1′), Scherp regterht IV sterk (1 3/5′) (from a°), Trompet 8′, Tremulant.
BOVENWERK (C – d3) 51 TOETSEN: Prestant 8′ – dubbel vanaf c’, Baarpijp 8′, Quintadeen 8′, Octaaf 4′ – dubbel vanaf c’, Holfluit 4′, Quint 3′ – dubbel vanaf c’, Woudfluit 2′ – dubbel vanaf c’, Ruispijp III-VI sterk (2′), Tertiaan II-III sterk (1 3/5′), Dulciaan 8′, Vox Humana 8′, Tremulant.
PEDAAL (C – d1) 27 TOETSEN: Bourdon 16′, Prestant 8′, Roerquint 6′, Octaaf 4′, Bazuin 16′, Trompet 8′, Trompet 4′.
KOPPELINGEN: Rugwerk – Hoofdwerk, Hoofdwerk – Rugwerk, Hoofdwerk – Bovenwerk, Pedaal – Rugwerk, Pedaal – Hoofdwerk, Pedaal – Bovenwerk.
SPEELHULPEN: Tremulant voor het gehele orgel, Afsluiter voor alle klavieren.
| Vulstem | Samenstelling |
| Mixtuur III-VII sterk (Hoofdwerk) | C: 2′ – 1 1/3′ – 1′. c°: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′. c’: 5 1/3′ – 4′ – 2 2/3′ – 2′. a’: 5 1/3′ – 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′. c”: 5 1/3′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′. g”: 5 1/3′ – 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′. |
| Scherp IV-VII sterk (Hoofdwerk) | C: 1′ – 2/3′ – 2/3′ – 1/2′. c°: 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′. c’: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′. e’: 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′. c”: 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1 1/3′. b”: 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′. |
| Sexquialter III-IV sterk (Hoofdwerk) | C: 2 2/3′ – 1 3/5′ – 1 3/5′. d”: 2 2/3′ – 2 2/3′ – 1 3/5′ – 1 3/5′. |
| Mixtuur III-VIII sterk (Rugwerk) | C: 2′ – 1 1/3′ – 1′. A: 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′. c°: 4′ – 2 2/3′ – 2′. g°: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′. f’: 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′. g’: 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 2′. a”: 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 2′. c”’: 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 2′. |
| Scherp III-VIII sterk (Rugwerk) | C: 1′ – 2/3′ – 1/2′. c°: 2′ – 1 1/3′ – 1′. f°: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′. b°: 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′. gis’: 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′. c”: 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′. fis”: 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1 1/3′. c”’: 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1 1/3′. |
| Scherp Regterh IV sterk (Rugwerk) | a°: 1 3/5′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′. c’: 2′ – 1 3/5′ – 1 1/3′ – 1 1/3′. |
| Sesquialter II-III sterk (Rugwerk) | C: 2 2/3′ – 1 3/5′. ais’: 2 2/3′ – 1 3/5′ – 1 3/5′. |
| Ruispijp III-VI sterk (Bovenwerk) | C: 2′ – 1 1/3′ – 1′. c°: 4′ – 2 2/3′ – 2′. c’: 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′. c”: 8′ – 5 1/3′ – 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′. |
| Tertiaan II-III sterk (Bovenwerk) | C: 1 3/5′ – 1 1/3′. c°: 3 1/5′ – 2 2/3′. c’: 3 1/5′ – 3 1/5′ – 2 2/3′. |















