Coevorden, Gereformeerde Kerk

Foto’s: Michiel van ’t Einde & ME © 2013

  • Martin Vermeulen bouwde in 1912 een nieuw orgel voor de Gereformeerde Kerk van Coevorden (Drenthe), waar op dat moment een instrument stond van Jan Proper uit ca. 1890. Vermoedelijk was het orgel gemaakt met behulp van onderdelen van oudere orgels. In 1914 is het in gebruik genomen. Opmerkelijk is het dat Het Orgel in de jaargang 1912/1913 vermeldde dat Johannes Winkels het orgel van de oude Gereformeerde Kerk in Coevorden overgeplaatst had naar de nieuwe, waar het op 29 november 1913 in gebruik werd genomen. Het had toen twee vrije manualen en aangehangen pedaal en 13 stemmen. In 1940 heeft Valckx & Van Kouteren het instrument gerepareerd, waarbij tevens een vrij pedaal werd gemaakt door een tweetal transmissies (Subbas 16′ en Octaafbas 8′). Er werd ook een Sesquialter op het bovenmanuaal geplaatst. Tenslotte is de windvoorziening geëlektrificeerd. Begin jaren vijftig heeft Reil het mechanische sleepladen-orgel nog verder uitgebreid. Er werd een Terts geplaatst in plaats van de Voix Celeste, en op een pneumatische hulplade heeft hij de registers Quintadena 8′, Roerfluit 4′, Nasard 2 2/3′ en Woudfluit 2′ geplaatst. Ook werd de samenstelling van de Mixtuur aangepast.
  • In 1961 heeft G.A.C. de Graaf een noodorgeltje gemaakt van de pneumatische lade van Reil, met daarop een 8′, 4′, 2′ en de Mixtuur. Dit orgeltje is later verhuisd naar de paters Kapucijnen in IJmuiden, en weer later, na een verbouwing door Jos. Vermeulen, naar de paters Kapucijnen in Tilburg.
  • G.A.C. de Graaf heeft het orgel grondig verbouwd. Hij maakte een rugpositief, verwijderde het bovenwerk en bouwde een echt vrij pedaal. Het instrument kreeg nu 20 stemmen. De tractuur werd weer geheel mechanisch gemaakt en er werd een koppelklavier aangelegd. Door gebrek aan geld is het hoofdwerk ongewijzigd gebleven. Op 20 mei 1961 is het instrument in gebruik genomen met een bespeling door Willem Hendrik Zwart uit Kampen, adviseur tijdens de restauratie en ombouw. In 1967 bleek het orgel niet geheel te voldoen aan de eisen. Het had diverse gebreken, maar er kon op dat moment niet veel aan gedaan worden. In 1986 werd het instrument onderzocht, en het bleek nu in bijzonder slechte staat van onderhoud te verkeren. Uiteindelijk kreeg in 1989 Mense Ruiter de opdracht het instrument te repareren en geheel na te kijken. In 1993 begon deze firma met de restauratie, die uiteindelijk in 1994 voltooid werd. Op 15 juli 1994 werd het orgel weer in gebruik genomen. Op het hoofdwerk plaatste Mense Ruiter een Trompet 8′ van Bakker & Timmenga uit 1913 die afkomstig is uit Metslawier (Friesland).
  • De stemmingstemperatuur is evenredig zwevend.

Dispositie:

Hoofdwerk: C – f3 Bourdon 16′, Prestant 8′, Holpijp 8′, Octaaf 4′, Fluit 4′, Nasard 2 2/3′, Gemshoorn 2′ – 1952/1961, Mixtuur III-IV sterk, Trompet 8′ – 1913 – Bakker & Timmenga, Tremulant.
Rugwerk: C – f3 Quintadeen 8′, Holpijp 8′, Prestant 4′, Roerfluit 4′, Octaaf 2′, Tertiaan I-II sterk – 1913/1961, Scherp IV sterk – 1961, Dulciaan 8′ – 1961, Tremulant.
Pedaal: C – f1 Subbas 16′, Baarpijp 8′ – 1961/1994, Octaaf 4′ – 1994, Fagot 16′ – 1961, Schalmei 4′ – 1961.
Koppelingen: Hoofdwerk – Rugwerk (via een koppelklavier), Pedaal – Hoofdwerk, Pedaal – Rugwerk.