Haarlem, Grote of Sint Bavokerk, Hoofdorgel

De foto’s op deze pagina: Gert Eijkelboom 2002, tenzij anders vermeld.

Het grote orgel in de Grote of Sint Bavokerk aan de Oude Groenmarkt 23 in Haarlem (Noord-Holland) is één van de bekendste en meest gefotografeerde instrumenten in Nederland. Het is wereldberoemd, zowel door het uiterlijk als door de klank en opbouw van het werk. Christian Müller voltooide het mechanische sleepladen-orgel in 1738, waarna het op 14 september van dat jaar in gebruik is genomen. Het instrument werd gekeurd door de organist G. Havingha uit Alkmaar, G.F. Witvoogel uit Amsterdam en Henricus Radeker uit Haarlem. De kas is ontworpen door Jan van Logteren, het beeldhouwwerk is van de hand van Van Logteren en Jan Baptist Xaverij.

Oorspronkelijk had het orgel een pedaalomvang tot d1, maar dat is later uitgebreid tot f1. In de negentiende eeuw werd de kas in een donkere kleur gebeitst. Christian Witte herstelde het orgel in 1868, omdat er verschillende mankementen waren. Op advies van organist Bastiaans werd ook de dispositie enigszins veranderd. Op het Hoofdwerk werd de Viola di Gamba vervangen door een Violon 8′, op het Bovenwerk de Mixtuur door een Viola di Gamba 8′, op het Rugwerk de Quintadeen 8′ door een Bourdon 16′ en de Regaal door een Clarinet, en tenslotte op het Pedaal de Ruischpijp door een Violon 16′. Plannen voor de uitbreiding met een vierde manuaal als zwelwerk konden geen doorgang vinden. Op 22 december 1868 heeft Bastiaans het orgel weer ingespeeld.

In 1904-1905 is het instrument gerestaureerd door de firma Maarschalkerweerd & Zoon.

Een grote restauratie in 1961 bracht de oorspronkelijke kleuren weer terug. Deze restauratie werd uitgevoerd door de Deense firma Marcussen & Søn. De klank van het instrument werd door de restauratie gereconstrueerd naar een meer barokke klankkleur. Het orgel is op 3 juli 1961 weer officieel in gebruik genomen. In 1987 begon de firma Flentrop onder advies van Klaas Bolt aan een herintonatie van een aantal stemmen, omdat het klankbeeld uit 1961 niet helemaal aansloot bij het oorspronkelijke Müller-karakter. Ook werd gewerkt aan het regeerwerk. Met tussenpozen werkte Flentrop aan het orgel in de jaren 1987, 1988, 1993, 1994, 1995 en 2000. Adviseurs bij de latere werkzaamheden waren Hans van Nieuwkoop en Rudi van Straten.

In 2021 werden de frontpijpen schoongemaakt, omdat deze waren aangetast door uitwerpselen, afkomstig van vleermuizen die zich boven het orgel bevinden.

Het orgel heeft 5392 pijpen, 62 stemmen, 3 manualen en een vrij pedaal. De toonhoogte is a’ = 435 Hz. De stemming is gelijkzwevend. Al het pijpwerk is van metaal gemaakt.

De dispositie van het Christian Müller-orgel: (1738)

HOOFDWERK (C – d3) 51 TOETSEN: Prestant 16′ – dubbelkorig, Bourdon 16′, Octaaf 8′ – dubbelkorig, Roerfluit 8′, Viola di Gamba 8′ – 1961, Roerquint 6′, Octaaf 4′, Gemshoorn 4′, Quint 3′, Woudfluit 2′, Mixtuur IV-X sterk (2-8′), Scherp VI-VIII sterk (1 1/2′) – 1961, Tertiaan II sterk (2′), Trompet 16′, Trompet 8′, Hautbois 8′, Trompet 4′.
RUGWERK (C – d3) 51 TOETSEN: Prestant 8′ – dubbelkorig, Holpijp 8′, Quintadena 8′ – 1961, Octaaf 4′, Fluit Douce 4′, Speelfluit 3′, Superoctaaf 2′, Mixtuur VI-VIII sterk (1′), Cymbaal III sterk – 1961, Sesquialter II-IV sterk, Cornet IV sterk, Fagot 16′, Trompet 8′, Trechterregaal 8′ – 1961, Tremulant.
BOVENWERK (C – d3) 51 TOETSEN: Quintadena 16′, Prestant 8′ – dubbelkorig, Baarpijp 8′, Quintadena 8′, Octaaf 4′, Flagfluit 4′, Nasard 3′, Nachthoorn 2′, Flageolet 1 1/2′, Mixtuur IV-VI sterk (2′) – 1961, Cymbaal III sterk – 1961, Sesquialter II sterk, Schalmei 8′, Dulciaan 8′, Vox Humana 8′, Tremulant.
PEDAAL (C – f1) 30 TOETSEN: Principal 32′, Prestant 16′, Subbas 16′ – 1961, Roerquint 12′, Octaaf 8′, Holfluit 8′, Prestantquint 6′, Octaaf 4′, Holfluit 2′, Ruispijp IV sterk (3′) – 1961, Mixtuur VI-X sterk – 1961, Bazuin 32′, Bazuin 16′, Trompet 8′, Trompet 4′, Cink 2′.
KOPPELINGEN: Hoofdwerk – Rugwerk, Hoofdwerk – Bovenwerk, Pedaal – Hoofdwerk – 1961, Pedaal – Rugwerk – 1961, Pedaal – Bovenwerk – 1961.

Vulstem Samenstelling
Mixtuur IV-X sterk (Hoofdwerk) C: 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′ – 1′. c°: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′. cìs°: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′. f°: 5 1/3′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′. cis’: 5 1/3′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′. e’: 5 1/3′ – 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′. g’: 8′ – 5 1/3′ – 5 1/3′ – 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′. b’: 8′ – 5 1/3′ – 5 1/3′ – 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′. cis”: 8′ – 8′ – 5 1/3′ – 5 1/3′ – 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′.
Tertiaan II sterk (Hoofdwerk) C: 2′ – 4/5′. c°: 2′ – 1 3/5′.
Scherp VI-VIII sterk (Hoofdwerk) C: 1 1/3′ – 1′ – 2/3′ – 1/2′ – 1/3′ – 1/4′. F: 1 1/3′ – 1′ – 2/3′ – 2/3′ – 1/2′ – 1/2′ – 1/3′. c°: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′ – 2/3′ – 1/2′ – 1/2′. f°: 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′ – 2/3′ – 1/2′. c’: 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′. f’: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′. c”: 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′. f”: 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′.
Sexquialter II sterk (Bovenwerk) C: 2 2/3′ – 1 3/5′.
Mixtuur IV-VI sterk (Bovenwerk) C: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 2/3′. c°: 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′ – 1′. f°: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′ – 1′. c’: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1′. c”: 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′. f”: 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′.
Cimbel III sterk (Bovenwerk) C: 1/3′ – 1/4′ – 1/5′. c°: 1/2′ – 2/5′ – 1/3′. c’: 4/5′ – 2/3′ – 1/2′. g’: 1′ – 4/5′ – 2/3′. c”: 1 1/3′ – 1′ – 4/5′. dis”: 1 3/5′ – 1 1/3′ – 1′. g”: 2′ – 1 3/5′ – 1 1/3′.
Sexquialter II-IV sterk (Rugwerk) C: 2 2/3′ – 1 3/5′. c’: 2 2/3′ – 1 3/5′ – 1 3/5′. c”: 2 2/3′ – 2 2/3′ – 1 3/5′ – 1 3/5′.
Cornet IV sterk discant (Rugwerk) c’: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 3/5′.
Mixtuur VI-VIII sterk (Rugwerk) C: 1′ – 1′ – 2/3′ – 2/3′ – 1/2′ – 1/2′. F: 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′ – 2/3′. c°: 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′. c’: 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 1′. f’: 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′. c”: 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′. f”: 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′.
Cimbel III sterk (Rugwerk) C: 1/3′ – 1/4′ – 1/5′. F: 1/2′ – 1/3′ – 1/4′. c°: 2/3′ – 1/2′ – 1/3′. f’: 1′ – 2/3′ – 1/2′. c”: 1 1/3′ – 1′ – 2/3′. f”: 2′ – 1 1/3′ – 1′.
Ruispijp V sterk (Pedaal) C: 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 4/5′. Origineel was dit: 5 1/3′ – 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 3/5′.
Mixtuur VI-X sterk (Pedaal) C: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′ – 2/3′. F: 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′ – 2/3′. c°: 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′. f°: 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′. c’: 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′.