Haslach im Kinzigtal, Katholische Pfarrkirche Sankt Arbogast

Foto’s: Bram Luteyn © 2023

In de Sankt-Arbogastkirche in Haslach im Kinzigtal (Baden-Württemberg) werd in 1660 een mechanisch orgel geplaatst dat gebouwd werd door Hans Jacob Baldtner uit Straatsburg. Het is onduidelijk tot wanneer dit instrument dienst heeft gedaan. In 1783 heeft Joseph Martin uit Hayingen samen met zijn schoonzoon Anton Hechinger een nieuw mechanisch sleepladen-orgel voor de kerk gebouwd. In 1784 plaatste Hechinger nog een tremulant. Het instrument had waarschijnlijk 26 registers, verdeeld over twee manualen en pedaal. In 1891-1892 heeft W. Schwarz het orgel omgebouwd. Maar het bleef hierna niet lang meer in gebruik: in 1914 is het binnenwerk vervangen door een geheel nieuw orgel van Rudolf Kiene, dat gebouwd kon worden dankzij een schenking. Kiene bouwde een aparte vierkante kast voor het zwelwerk, die naast de historische kas werd geplaatst. Het orgel was uitgevoerd met pneumatische kegelladen. In 1977 is er besloten het orgel te laten restaureren. Het plan was oorspronkelijk om de tractuur te elektrificeren, maar uiteindelijk werd gekozen voor een complete herbouw van het orgel met gebruik van het pijpwerk van Kiene. De firma Mönch & Prachtel hebben de werkzaamheden uitgevoerd. De oude kas werd geheel gerestaureerd, de zwelwerkkas is gesloopt, er zijn nieuwe windladen gemaakt en tenslotte werden alle mechanieken en klavieren nieuw gemaakt. Hans Musch was als adviseur bij de werkzaamheden betrokken. In de oude kas is het Hauptwerk geplaatst. Het Schwellwerk staat hierachter, en het Pedal daar weer onder. Op 8 mei 1983 is het orgel opnieuw in gebruik genomen. Hans Musch heeft het instrument bij deze gelegenheid bespeeld. Het sleepladen-orgel heeft mechanische toetstractuur, elektrische registertractuur, 39 stemmen, 2 manualen en een vrij pedaal.

Dispositie:

Hauptwerk (C-g3): 56 toetsen Bourdon 16′, Principal 8′, Viola di Gamba 8′, Dolce 8′, Konzertflöte 8′, Gedeckt 8′, Octave 4′, Salicional 4′, Rohrflöte 4′, Superoctave 2′, Mixtur 4 fach (2 2/3′), Cymbal 3 fach (1′) – 1983, Cornet 5 fach, Trompete 8′.
Schwellwerk (C-g3): 56 toetsen Quintatön 16′, Geigenprincipal 8′, Salicional 8′, Aeoline 8′, Vox Coelestis 8′, Lieblich Gedackt 8′, Gemshorn 4′, Violine 4′, Traversflöte 4′, Quinte 2 2/3′, Piccolo 2′, Terz 1 3/5′ – 1983, Sifflet 1′ – 1983, Plein Jeu 4 fach (2′) – 1983, Oboe 8′, Tremulant.
Pedal (C-f1): 30 toetsen Violonbaß 16′, Subbaß 16′, Quinte 10 2/3′, Octavbaß 8′, Violoncello 8′ – 1983, Flöte 4′, Rauschwerk 4 fach (2 2/3′) – 1983, Posaune 16′, Trompete 8′ – 1983, Clairon 4′ – 1983.
Koppelingen: Hauptwerk – Schwellwerk, Hauptwerk – Schwellwerk Super, Hauptwerk – Schwellwerk Sub, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Schwellwerk.
Speelhulpen: 5 Setzerkombinationen, Registerfessel.