Hengelo (Overijssel), Christelijke Gereformeerde Kerk

Foto’s en tekst: Dhr. J.v.d. Vegt, http://www.xs4all.nl/~jvdvegt

Dhr. V.d. Vegt schrijft er het volgende over:

“In 1980 werd door onze gemeente een nieuwe kerk gebouwd en op de begroting stond de kapitale som van fl.10.000.– gereserveerd voor een orgel. Dat zou dus op zijn best een bescheiden electronicum kunnen worden, maar juist in die tijd attendeerde een collega me er op, dat in Glanerbrug het orgel in de Ger. Kerk te koop kwam wegens de voor hun te hoge restauratiekosten. Zij kochten een electronisch Johannus orgel en ik kocht voor ruim
6000 gulden hun Proper-orgel uit omstreeks 1895. Dit was oorspronkelijk gebouwd voor de kerk van Krabbendijke in Zeeland. Ik demonteerde het met hulp van gemeenteleden en collega’s en we sloegen de delen zolang op. Toen de kerk bijna klaar was plaatste ik (met de alreeds genoemde hulp) de kas(t) in de kerk. Dan was die plek alvast bezet en kon de gemeente zo wennen aan het voor de kleine kerk eigenlijk iets te grote front. Dit geschiedde rond september 1980. Daarna besteedde ik een jaar aan het restaureren van het binnenwerk en kwam het gereed in oktober 1981. De intonatie werd verricht door de heer Hoogendoorn van de firma BAG. Hij verving tevens een aantal pijpen van de mixtuur die door veelvuldig stemmen te erg waren beschadigd. Het orgel werd in gebruik genomen in een dienst, waarin de dia’s van het restauratieverloop werden getoond, gevolgd door een orgelbespeling door Harmke Kroeze, de dochter van mijn goede orgelvriend Fré Kroeze uit Almen.

De pijpen van de sesquialter zitten op de plaats, waar in Glanerbrug een Trompet 8’ heeft gestaan, maar die was niet origineel van Proper. De keus voor het laten vervallen van de Trompet werd bepaald door het feit, dat er door de inspringende dakconstructie te weinig plaats was voor de lange bekers. Daarbij komt nog dat een lage kerkruimte een groot temperatuurverloop geeft tijdens de diensten, waardoor een tongwerk snel is ontstemd ten opzichte van de labiaalpijpen. Dit maakt de trompet onbruikbaar, terwijl een sesquialter wel op toon blijft.

In Krabbendijke heeft er nog een 16’ register op gestaan volgens de opschriften aan de binnenzijde van het paneel met registerknoppen. Waarschijnlijk zijn bij het overplaatsen naar Glanerbrug diverse registers opgeschoven om plaats te maken voor de Trompet. Toen zijn er ook verende hulzen in de pijpenstokken aangebracht, maar helaas was de windlade onvoldoende gerestaureerd. Hierdoor ontstond er een aanzienlijk windverlies door de kieren tussen sponsels en scheien onder de dammen. Bij de restauratie van de windlade heb ik alle pijpenstokken en dammen verwijderd en vervolgens alle kieren met eiken latjes dichtgemaakt (sommige waren wel 5mm breed). De smalste spleetjes vulde ik met lijm en zaagsel. Vervolgens werd de gehele bovenzijde vlak gemaakt met behulp van een reischaaf en toen geheel beplakt met schapenleer, waarna de gaten voor de pijpen werden opengesneden. Daarvóór had ik reeds de gaten voor de Sesquialter geboord op de plaats van de dichtgemaakte gaten van de Trompet 8’. Ook de gaten van de baskant van de Prestant dichtgemaakt omdat ik voor dit register gaten had geboord voor de nieuwe kantsleep. Daarna heb ik de dammen weer aangebracht en het geheel opgebouwd.

Voor de windvoorziening plaatste ik de motor in de stenen voet van de kansel, die vlak naast het orgel staat en die ik van een goede geluidsisolatie had voorzien. Het aansluiten van de drie-fasenmotor gaf nog enige hilariteit. Toen het gemeentelid, die de aansluiting had gemaakt, de motor inschakelde, weerklonk er een geluid als van een sirene. Dat zou de geluidsisolatie nooit kunnen wegwerken. Ik vroeg of de motor wel de juiste draairichting had. Dit bleek niet het geval te zijn en na het verwisselen van de draden was het geluidsprobleem verholpen. Via een reeds in de fundering aangebrachte plastic buis met een diameter van 15 cm komt de wind in een grote spaanbalg met een enkele vouw; een regelklep sluit de toevoer af als de balg vol is. De winddruk werd bij de intonatie afgeregeld op een hoogte van 65 mm WK door middel van een paar loden gewichten op het bovenblad van de balg, terwijl een paar harmoniumveren als schokbrekers dienst doen. Op het windkanaal tussen balg en windlade heb ik later nog een klein spaanbalgje geplaatst als stotenbreker.

Het pedaal was aangehangen, maar ik voorzag het van een koppeling met het oog op een eventuele uitbreiding. Deze kwam een aantal jaren later, toen ik een Bourdon 16’ (houten pijpen) kon overnemen uit een kerk in Apeldoorn. Daarvoor maakte ik een aparte windlade. Door er 24 houten gedekte pijpen bij te maken, verkreeg ik uit die reeks pijpen een transmissie voor een acht- en een viervoet, waarmede het pedaal iets meer mogelijkheden kreeg.”

De huidige dispositie:

Manuaal:
Prestant 8 B/D *
Holpijp 8’
Octaaf 4’
Open Fluit 4’
Woudfluit 2’
Mixtuur, 2-3 sterk
Quint 2 2/3’ D **
Terts 1 3/5’ D **
Pedaal:
Bourdon 16’
Gedekt 8’
Gedekte Fluit 4’

Pedaalkoppeling

*: “Ik maakte daarvoor (voor de bas-discantdeling) een kantsleep om kortere verbindingen te krijgen voor de frontpijpen, waarvan er 24 van de 25 zijn aangesloten op de baskant. Ook dit gaf weer meer speelmogelijkheden bij dit één-klaviers instrument.”

**: “De twee laatste registers vormen tezamen een sesquialter, maar door ze aparte slepen te geven vergrootte ik de speelmogelijkheden.”
Voor meer info over de orgelactiviteiten van dhr. J.v.d. Vegt, zie
http://www.xs4all.nl/~jvdvegt