Klosterneuburg, Katholische Pfarrkirche Sankt Martin

Foto: © C.Stadler/Bwag; CC-BY-SA-4.0.

Een onbekende orgelmaker bouwde in 1729 een nieuw orgel voor de parochiekerk van Klosterneuburg, (Niederösterreich) Oostenrijk, dat werd geplaatst in een fraaie orgelkas. De balustrade van het orgel werd bijzonder rijk gedecoreerd. Het De gebroeders Rieger vervingen in 1910 het binnenwerk door een tweeklaviers romantisch orgel met pneumatische kegelladen. Het had in totaal 28 stemmen. In 1963 werden er plannen gemaakt om een jonge Oostenrijkse firma een drieklaviers mechanisch binnenwerk met sleepladen, 32 stemmen, 3 manualen en een vrij pedaal te laten maken voor de historische orgelkas. De bouw van dit nieuwe werk is pas in 1984 gerealiseerd door Herbert Gollini.

Dispositie:

HAUPTWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Quintadena 16′, Prinzipal 8′, Spitzgedackt 8′, Viola 8′, Oktave 4′, Spitzflöte 4′, Quinte 2 2/3′, Superoktave 2′, Terz 1 3/5′, Mixtur 5-6 fach (1 1/3′), Trompete 8′.
RÜCKPOSITIV (C – g3) 56 TOETSEN: Gedackt 8′, Prinzipal 4′, Rohrflöte 4′, Oktave 2′, Nasat 1 1/3′, Scharff 4 fach (1′), Krummhorn 8′.
BRUSTWERK (SCHWELLBAR) (C – g3) 56 TOETSEN: Copula 8′, Flöte 4′, Prinzipal 2′, Gemshorn 2′, Cimbel 2 fach (1/3′), Regal 8′, Schalmei 4′, Tremulant.
PEDAL (C – f1) 30 TOETSEN: Subbaß 16′, Oktavbaß 8′, Gedecktbaß 8′, Choralbaß 4′, Rauschpfeife 5 fach (2′), Posaune 16′, Zinke 8′.
KOPPELINGEN: Hauptwerk – Rückpositiv, Hauptwerk – Brustwerk, Rückpositiv – Brustwerk, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Rückpositiv, Pedal – Brustwerk.