Lüneburg, Sankt Johanniskirche, Hoofdorgel

Bron foto: Ansichtkaart

Het mechanische sleepladen-orgel van de Johanniskirche te Lüneburg (Niedersachsen) is één van de oudste instrumenten in Duitsland. Het werd in 1553 gebouwd door de Nederlandse orgelmakers Hendrik Niehoff en Jasper Johansen. Het orgel kreeg drie klavieren en pedaal. In 1578 heeft Dirck Hoyer uit Hamburg een Subbas 16′ achter het orgel geplaatst. Matthias Mahn maakte in 1586 een nieuwe windlade voor de pedaalregisters Trompete 8′ en Bauernflöte. In deze toestand bleef het orgel bewaard tot 1651. In dat jaar begon Friedrich Stellwagen met een verbouwing. Hij wijzigde de opbouw en de dispositie, stemde het instrument in de koortoon en intoneerde het geheel opnieuw. Heinrich Scheidemann heeft het werk in 1652 gekeurd. In de tijd dat Georg Böhm organist van de kerk was werd het opnieuw verbouwd en uitgebreid. In de jaren 1712-1714 werden deze werkzaamheden uitgevoerd door Matthias Dropa. De springladen werden nu vervangen door sleepladen en de beide pedaaltorens zijn door Dropa toegevoegd. De oude orgelluiken zijn verwijderd. Hierna bleef het orgel zonder veel wijzigingen functioneren tot 1850. Edward Meyer heeft in dat jaar het orgel omgebouwd tot een meer romantisch instrument. De oude sleepladen werden vernieuwd. Door Oskar Walcker is het orgel in de jaren 1922-1926 nog verder verbouwd: de tractuur werd omgebouwd naar pneumatische kegelladen en een deel van het pijpwerk kwam in een zwelkast te staan. Rudolph von Beckerath heeft het orgel in 1952/1953 gerestaureerd, waarbij de bestaande toestand is geconsolideerd. Omdat het orgel in de jaren na 1960 te lijden had door de heteluchtverwarming was een grondige restauratie opnieuw nodig. Nu werd besloten het binnenwerk gedeeltelijk te reconstrueren en er voor te zorgen dat het orgel weer als een barok instrument ging klinken. Rudolph von Beckerath heeft de opdracht gekregen, die in 1975 en 1976 is uitgevoerd. De tractuur werd weer mechanisch, er werden nieuwe sleepladen gemaakt en de dispositie is deels gereconstrueerd. Uitgangspunt was de toestand van 1714, ná de uitbreiding door Dropa. De stemmingstemperatuur is evenredig zwevend en de toonhoogte is a’ = 440 Hz. Een aantal frontpijpen zijn gedecoreerd.

Dispositie:

Hauptwerk: C – g3 Praestant 16′ – 1553/1652, Quintadena 16′ – 1714, Octave 8′ – 1850, Gedackt 8′ – 1850, Octave 4′ – 1553, Nachthorn 4′ – 1850, Quinte 2 2/3′ – 1850, Octave 2′ – 1714/1850, Bauernflöte 2′ – 1976, Mixtuur 6-8 fach – 1976, Scharf 4-5 fach – 1976, Trompete 16′ – 1714/1976, Trompete 8′ – 1714/1976, Schalmei 4′ – 1976.
Rückpositiv: C – g3 Principal 8′ – 1553, Quintadena 8′ – 1714, Gedackt 8′ – 1976, Octave 4′ – 1553, Rohrflöte 4′ – 1850, Waldflöte 2′ – 1714, Sifflöte 1 1/3′ – 1976, Sesquialtera 2 fach – 1553/1976, Scharf 5-7 fach – 1976, Dulcian 16′ – 1714/1976, Bärpfeife 8′ – 1976, Tremulant.
Oberwerk: C – g3 Principal 8′ – 1553, Rohrflöte 8′ – 1553, Octave 4′ – 1714, Blockflöte 4′ – 1850, Nasat 2 2/3′ – 1553, Superoctave 2′ – 1976, Gemshorn 2′ – 1553, Tertian 2 fach – 1850, Mixtuur 4-6 fach – 1714/1976, Cimbel 3 fach – 1976, Trompete 8′ – 1976, Dulcian 8′ – 1714/1976, Tremulant.
Pedal: C – f1
eerste windlade: Principal 16′ – 1714, Octave 8′ – 1714, Gedackt 8′ – 1714, Octave 4′ – 1714, Nachthorn 2′ – 1976, Mixtuur 6-8 fach – 1850/1976, Posaune 16′ – 1714/1976, Trompete 8′ – 1714/1976, Trompete 4′ – 1714/1976.
Tweede windlade: Untersatz 16′ – 1586, Bauernflöte 1′ – 1850, Rauschpfeife 2 fach – 1850, Posaune 32′ – 1714/1976, Cornet 2′ – 1976.
Koppelingen: Hauptwerk – Rückpositiv, Hauptwerk – Oberwerk, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Rückpositiv, Pedal – Oberwerk.