Maassluis, Groote Kerk

Foto’s: Wim de Penning

Het mechanische sleepladen-orgel met 47 stemmen, 3 manualen en een vrij pedaal in de Groote of Nieuwe Kerk in Maassluis (Zuid-Holland) is aan de kerk geschonken door Govert van Wijn. Op diens 90-ste verjaardag, 4 december 1732, is het instrument in gebruik genomen. Garrels was in 1729 gestart met de werkzaamheden. Op initiatief van organist Willem Lootens werd een Cornet op het rugwerk geplaatst, in plaats van de Quint, en een nieuwe Vox Humana op het bovenwerk. Dit werk is door Jan Robberts uitgevoerd in 1773. Wolfferts heeft het orgel tussen 1790 en 1803 onderhouden, maar hij werkte niet naar tevredenheid. In 1804 is zijn werk weer hersteld door A.F.G. Heijneman. De firma Bätz & Co heeft in 1834/1841 een restauratie uitgevoerd, waarbij door hen ook enkele dingen werden gewijzigd.

Tenslotte was het de orgelmaker Gerrit van Leeuwen die in de jaren 1937/1938 het gehele orgel restaureerde, maar ook deels een elektro-pneumatische tractuur aanbracht. Verder werd het Bovenwerk in een zwelkast geplaatst en op het pedaal werd een Open Subbas 16′ geplaatst.

Gerrits werk werd in 1959/1963 door Willem van Leeuwen weer ongedaan gemaakt, en een algehele restauratie volgde. Deze restauratie stond onder supervisie van dr. H.L. Oussouren. Op 17 mei 1963 nam men het instrument weer in gebruik waarbij het bespeeld werd door Lambert Erné en Willem Oranje, de vaste organist van de kerk.

De laatste restauratie vond plaats in 1977/1978 en werd uitgevoerd door Pels & Van Leeuwen. Op verzoek van de organist Feike Asma werd toen een Bazuin 32′ op een aparte lade aan het pedaal toegevoegd. Deze werd al in 1975 geplaatst en in gebruik genomen met een concert door Feike Asma op 5 april 1975. Ook de Open Subbas uit 1938 werd op een aparte lade geplaatst. Het orgel is op 8 juni 1978 weer officieel in gebruik genomen.

Het instrument is in 2008 door Pels & Van Leeuwen gereviseerd. Belangrijkste werkzaamheden waren het opnieuw beleren van de schokbalgen en het afstellen en bijregelen van de toetsmechanieken.

De dispositie van het Garrels-orgel: (1732)

HOOFDWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Prestant 16′, Octaaf 8′, Holpijp 8′, Octaaf 4′, Nachthoorn 4′, Quint 3′, Octaaf 2′, Cornet IV sterk (discant), Mixtuur IV-VI sterk, Scherp IV sterk, Dulciaan 16′, Trompet 8′.
RUGWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Prestant 16′ (discant), Prestant 8′, Holpijp 8′, Octaaf 4′, Roerfluit 4′, Quint 3′, Octaaf 2′, Woudfluit 2′, Sexquialter III sterk (discant), Mixtuur IV-VI sterk, Trompet 8′, Tremulant.
BOVENWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Baarpijp 8′, Holpijp 8′, Quintadeen 8′, Viola 8′, Prestant 4′, Fluit 4′, Nasard 3′, Octaaf 2′, Sifflet 1′, Mixtuur IV-V sterk, Tertiaan II sterk, Trompet 8′ – 1840/1975, Vox Humana 8′, Dulciaan 8′, Tremulant.
PEDAAL (C – f1) 30 TOETSEN: Open Subbas 16′ – 1938; op zelfstandige lade, Bourdon 16′ – open, Roerquint 12′, Octaaf 8′, Octaaf 4′, Mixtuur V sterk, Bazuin 32′ – 1975; op zelfstandige lade, Bazuin 16′, Trompet 8′, Trompet 4′.
KOPPELINGEN: Pedaal – Hoofdwerk, Hoofdwerk – Bovenwerk, Hoofdwerk – Rugwerk.