Foto: Grubernst, CC0 (Wikimedia Commons)
Het orgel van de Wallfahrtskirche in Mariazell (Steiermark) Oostenrijk, is oorspronkelijk in 1737-1739 gebouwd door Gottfried Sonnholz. De orgelkassen zijn een werkstuk van Johann Wagner, met verguldsel van de hand van Franz Reich. De dispositie van dit orgel is helaas onbekend. Het instrument werd in 1850 door de orgelmaker Almann uit Wenen gerepareerd.
Het orgel is in 1868 omgebouwd door Friedrich Werner. Deze heeft het rugpositief verwijderd en het positief in de hoofdwerkkas geplaatst. In 1912 bekostigde keizer Franz Joseph een volledige ombouw naar pneumatische tractuur en vergroting tot 45 stemmen door Franz Josef Swoboda. Later in 1929 werd het instrument nog verder omgebouwd door de firma Dreher & Flamm. Zij hebben de tractuur electrisch gemaakt en het orgel verbonden met de beide koororgels uit 1758 van de hand van Josef Schnepfleithner en een Fernwerk in de koepel geplaatst. De firma Dreher & Reinisch hebben het geheel in 1957 gereviseerd. Van het oorspronkelijke werk van Sonnholz is niet veel meer overgebleven.
In 2003 bouwde de firma Mathis een nieuw orgel. Bij de bouw is de oude orgelkas opnieuw gebruikt, alsmede het nog aanwezige historische pijpwerk. Het instrument werd op 8 november 2003 in gebruik genomen met orgelbespelingen die gegeven werden door Hans Haselböck, Franz Karl Praßl, Emanuel Amtmann en Konstantin Reymaier. Het sleepladen-orgel heeft mechanische toetstractuur, elektrische registertractuur, 54 stemmen, 3 manualen en een vrij pedaal.
Dispositie:
HAUPTWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Principal 16′, Principal 8′, Hohlflöte 8′, Gambe 8′, Violflöte 8′, Voce Umana 8′, Octav 4′, Flöte 4′, Gemshorn 4′, Quint 2 2/3′, Superoktav 2′, Terz 1 3/5′ – eng, Cornett 5 fach (8′), Mixtur Major 3-4 fach (2′), Mixtur Minor 2-3 fach (1′), Trompete 16′, Trompete 8′.
RÜCKPOSITIV (C – g3) 56 TOETSEN: Quintatön 16′ (from c°), Praestant 8′, Gedackt 8′, Octav 4′, Rohrflöte 4′, Octav 2′, Quint 1 1/3′, Sesquialtera 2 fach (2 2/3′), Scharff 4 fach (1 1/3′), Krummhorn 8′, Tremulant.
SCHWELLWERK (C – g3) 56 TOETSEN: Gedeckt 16′, Principal 8′ – eng, Bourdon 8′, Salicional 8′, Vox Coelestis 8′ (from c°), Fugara 4′, Traversflöte 4′, Salicet 4′, Nasard 2 2/3′, Flageolett 2′, Terz 1 3/5′ – weit, Sifflöte 1′, Mixtur 4-5 fach (2 2/3′), Trompette Harmonique 8′, Oboe 8′, Clairon 4′, Tremulant.
PEDAL (C – f1) 30 TOETSEN: Untersatz 32′, Principal 16′, Subbass 16′, Violonbass 16′, Octavbass 8′, Gedecktbass 8′, Cello 8′, Octav 4′, Rauschpfeife 4 fach (2 2/3′), Posaune 16′, Trompete 8′.
OVERIGE REGISTERS: Zimbelstern, Vogelgesang, Glockenspiel g – g” (Schalenglocken), Rossignol, Schauer.
KOPPELINGEN: Hauptwerk – Rückpositiv, Hauptwerk – Schwellwerk, Rückpositiv – Schwellwerk, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Rückpositiv, Pedal – Schwellwerk.
SPEELHULPEN: 4000 Setzerkombinationen.
