Marienfeld (Harsewinkel), Klosterkirche Sankt Mariä Empfängnis

Foto’s: Tjalling Roosjen © 2014

Johann Patroclus Möller bouwde in 1746-1751 een nieuw mechanisch sleepladen-orgel voor de Klosterkirche Sankt Mariä Empfängnis in Marienfeld (Harsewinkel) Nordrhein-Westfalen. Een groot deel van het pijpwerk van het oude orgel werd overgenomen in het nieuwe orgel. Het nieuwe orgel kreeg 30 registers, verdeeld over Hauptwerk, Rückpositiv en Pedal. Men vermoedt dat er een Brustwerk als derde manuaal gepland was. Franz-Joseph Eppmann verving in 1795 vijf registers. Peter Austermann uit Warendorf breidde in 1826 de manuaalomvang uit. In 1844 volgde een omvangrijke ombouw, die werd uitgevoerd door Franz-Heinrich Pohlmann uit Warendorf. Hij plaatste een nieuwe tractuur en manuaalkoppel. Rudolf Randebrock plaatste in 1884 nieuwe windladen en een nieuw balgensysteem. Hij verving oude registers door meer romantische stemmen. In 1927 verving Ludwig Fleiter de windladen door pneumatische kegelladen. Ook verving hij de mechanische tractuur door pneumatische tractuur. Hij breidde het orgel ook uit naar 34 stemmen. Inmiddels was 50% van het historische pijpwerk vervangen.
Na de Tweede Wereldoorlog begon men een omvangrijke restauratie voor te bereiden. In 1956 waren deze plannen concreter en begon men met voorbereidende werkzaamheden. In 1959 werd er na toestemming van de Staatsconservator Bader een heteluchtverwarmingsinstallatie in de kerk geplaatst om gebouw en orgel voor vocht en verder verval te beschermen. In het voorjaar van 1960 kreeg de firma Franz Breil de opdracht om het orgel te restaureren en conserveren. Na uitvoerig onderzoek en planning. Er werd weer een mechanische tractuur aangelegd en de kegelladen werden vervangen door mechanische sleepladen. De registers van Randebrock en Fleiter werden vervangen door nieuw pijpwerk dat naar barokke mensuren is gemaakt. In totaal kreeg het orgel nu 41 registers.  Ook werden de 3 Cymbelsterren opnieuw aangesloten, waarvan de technische onderdelen nog voorhanden waren.
De laatste omvangrijke restauratie vond tussen 1996 en 1999 plaats. De firma Kreienbrink uit Osnabrück reconstrueerde het orgel naar de toestand van 1750. Hierbij werd een nieuwe balgstoel met spaanbalgen gemaakt, en is er een hangende speeltractuur geplaatst. Vanwege ontbrekend pijpwerk, werd van een reconstructie in de stijl van Möller afgezien.

Tegenwoordig heeft het orgel 41 registers op 3 manualen en pedaal. Daaronder bevinden zich enige gotische pijpen en een aantal pijpen uit de 17e eeuw, de in 1795 geplaatste registers van Eppmann, pijpwerk van Randebrock uit 1884 en pijpwerk van Breil uit 1962 en nieuw pijpwerk van de firma Kreienbrink.

Dispositie:

I Rückpositiv C-f3
Principal 8′
Gedackt 8′
Flauto traverso 8′
Octav 4′
Rohrflöte 4′
Nasard 2 2⁄3′
Octav 2′
Waldflöte 2′
Sesquialtera II 2 2⁄3′
Mixtur IV
Fagott 16′
Krummhorn 8′
Tremulant

II Hauptwerk C-f3
Principal 16′
Octav 8′
Gedackt 8′
Viola da Gamba 8′
Octav 4′
Gedacktflöte 4′
Octav 2′
Sesquialtera III
Mixtur IV
Zimbel III
Trompete 8′
Vox humana 8′

III Brustwerk C-f3
Holzgedackt 8′
Flöte 4′
Octav 2′
Terz 1 3⁄5′
Quinte 1 1⁄3′
Octav 1′
Zimbel III
Schalmey 8′
Tremulant

Pedal C-d1
Principal 16′
Subbass 16′
Octav 8′
Octav 4′
Nachthorn 2′
Mixtur V
Posaune 16′
Trompete 8′
Trompete 4′

Koppeln:
I/II, III/II, I/P, II/P

Nebenregister:
Zimbelstern I,
Zimbelstern II,
Kalkantenglocke