Meschede, Benediktiner-Abteikirche Königsmünster (Friedenskirche)

Foto’s: Stefan Braun (Köln) © 2026

Dit orgel staat in de indrukwekkende benedictijnenabdijkerk “königsmünster” van Meschede, gebouwd in 1964 naar een ontwerp van Hans Schilling. Een eerder “grote” orgel, gebouwd in 1973 door Kreienbrink Orgelbau (D-Georgsmarienhütte) met III / 38 P werd in 2008 buiten gebruik gesteld vanwege ernstige schade.

Het huidige orgel werd in 2016 geïnstalleerd door Philipp Klais Orgelbau (D-Bonn) als nieuw instrument in de nis van de vijfhoekige toren. Net als de kerk zelf is het visueel zeer ingetogen en onversierd. Het orgel, dat primair ontworpen is om te voldoen aan de eisen van de kloosterliturgie, kenmerkt zich door een grote rijkdom en tonale variatie, met name in de sterk gedifferentieerde grondregisters; de musici van het klooster (in het bijzonder broeder Sebastian Herfurtner OSB) speelden een belangrijke rol in de totstandkoming ervan. Twee manuaalwerken met 38 registers bevinden zich in zwelkasten. Het pianissimo van het orgel, in de tamelijk “droge” akoestiek, is een even blijvende ervaring als de niet overweldigende, maar toch zeer indrukwekkende kracht en grandeur van het volledige instrument.

Sleepladen. Elektrische toetstractuur en registertractuur. Talrijke koppelingsmogelijkheden. De speeltafel is op grondniveau geïntegreerd in de koorbanken van de monniken (direct onder het orgel). III / 58 P.

Dispositie:

HAUPTWERK (C – c4) 61 TOETSEN: Großprincipal 16′, Bourdon 16′, Principal 8′, Gambe 8′, Vox Angelica 8′, Traversflöte 8′, Gedeckt 8′, Dulciana 8′, Octave 4′, Flöte 4′, Quinte 2 2/3′, Superoctave 2′, Terz 1 3/5′, Mixtur 4 fach (1 1/3′), Trompete 16′, Trompete 8′.
POSITIV (SCHWELLBAR) (C – c4) 61 TOETSEN: Minorprincipal 8′, Bordun 8′, Echogambe 8′, Dolce 8′, Flûte Céleste 8′, Octave 4′, Nachthorn 4′, Flautino 2′, Progressio 2-4 fach (2 2/3′), Horn 16′, Horn 8′, Clarinette 8′, Horn 4′, Tremulant.
SCHWELLWERK (C – c4) 61 TOETSEN: Salicional 16′, Geigenprincipal 8′, Harmonieflöte 8′, Viola 8′, Vox coelestis 8′, Aeoline 8′, Violine 4′, Querflöte 4′, Nasat 2 2/3′, Piccolo 2′, Terz 1 3/5′, Harmonia Aetheria 4 fach (2 2/3′), Fagott 16′, Trompette 8′, Oboe 8′, Tremulant.
PEDAL (C – g1) 32 TOETSEN: Bordun 32′, Principalbass 16′, Violon 16′, Subbass 16′, Zartbass 16′, Octavbass 8′, Cello 8′, Gedecktbass 8′, Superoctave 4′, Posaune 16′, Horn 16′, Tuba 8′, Horn 8′, Tuba Clairon 4′.
KOPPELINGEN: Normalkoppeln: II/I, III/I, III/II – I/P, II/P, III/P.
Suboktavkoppeln: I/I, II/II, III/III – II/I, III/I.
Superoktavkoppeln: I/I, II/II, III/III – II/I, III/I – II/P, III/P.
Melodiekoppeln: II/I, III/I, III/II.
Äquallage-Absteller: I, II, III.