1707 werd in de Stiftskerk van het Benedictijnenklooster te Obermarsberg (Nordrhein-Westfalen) een nieuw mechanisch orgel gebouwd met één manuaal en aangehangen pedaal. Het had twaalf registers en was gebouwd met een springlade. Het onderpositief was loos. Sinds 1803 is het klooster opgeheven, en wordt de kerk gebruikt als parochiekerk, gewijd aan Petrus en Paulus. Het orgel, dat waarschijnlijk een werkstuk is van Peter Henrich Varenholt, werd in 1869 verbouwd. Als bouwer wordt echter ook wel Hinrich Klausing genoemd. Heinrich Schulte plaatste een tweede manuaal als Unterwerk achter het oude schijnfront van het onderpositief. Achter het hoofdwerk plaatste hij een klein pedaal. Het Hauptwerk kreeg een nieuwe sleeplade. Na 1900 is de dispositie gewijzigd in romantische stijl. Bij een restauratie door Franz Breil in 1973 werd het instrument teruggebracht in de staat van 1869 met enkele uitbreidingen.
Dispositie:
Hauptwerk: C-f3 Bordun 16′, Principal 8′ – vóór 1707, Gedackt 8′, Octave 4′, Rohrflöte 4′, Quinte 3′, Octave 2′, Cornett 4 fach (4′) (from g°) – 1869, Mixtur 4 fach (2′) – 1973, Zimbel 3 fach (1/2′) – 1973, Trompete 8′ – 1973, Tremulant.
Unterwerk: C-f3 Hohlflöte 8′ – 1869, Principal 4′ – 1869, Waldflöte 2′ – 1973, Sesquialtera 2 fach – 1973, Mixtur 4 fach (1 1/3′) – 1973, Dulzian 8′ – 1973, Tremulant.
Pedal: C-d1 Subbaß 16′ – 1869, Octavbaß 8′ – 1869, Pommer 4′ – 1973, Nachthorn 2′ – 1973, Mixtur 5 fach (2′) – 1973, Posaune 16′ – 1869.
Koppelingen: Hauptwerk – Unterwerk, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Unterwerk.
