Foto’s: Wim Verburg – 2001
|
De presentatie van een Leichel-orgel |
|
| Tekst in groene kleur: Maarten Vos jr., die het orgel restaureerde. |
| “Het orgel waar u voor uitgenodigd bent staat nu op de plek van dit vroegere instrument. (*) Bij aankoop was niets bekend over degene die het gemaakt had. Tijdens demontage bleek dat er pijpwerk geleverd was door de firma Schwatal uit Merseburg, met slagletters stond dit op de D-klein van de Gamba vermeld. In het Leichel- orgel van Bennekom bevindt zich pijpwerk van dezelfde herkomst. Bij nader onderzoek bleek dat vele details met dit orgel overeenkomen. We kunnen met zekerheid zeggen dat we hier met een werkstuk van Leichel te maken hebben. En wel met een orgel van Ehrenfried |
Leichel wat overigens ook sterke overeenkomsten vertoont met het Leichel-orgel in de Hervormde Kerk te Leur.
Ehrenfried was geboren op 18 januari 1828 te Emmerik. Hij verhuisde naar Duisburg vanwaar hij zich in 1884 te Keppel vestigde, daarna vertrok hij naar Doesburg. Honkvast was hij echter niet want in 1889 vestigde hij zich met een zoon in Paramaribo. Kort daarna verhuisde hij naar Arnhem waar hij op 16 november 1905 overleed. Dit orgel kan worden geschat rond 1870, de periode dat Leichel in Duisburg orgelmaker was. |
| Bij demontage van het binnenwerk bleek dat ik met een samengesteld orgel te maken had. De windlade is een laat 18e eeuws exemplaar, welke door Leichel in zijn nieuwe concept is ingepast. Het wellenbord hoort hier bij en is door Leichel in tegenstelling tot de oude opstelling, op de lade geplaatst. Vervolgens werd dit systeem als stekeroverbrenging aangebracht, op zichzelf heel uniek. Waarschijnlijk was dit materiaal een onderdeel van een ouder positief. Een aantal pijpen da- teert eveneens uit deze periode en is in Westfaalse makelij uitgevoerd. Het betreft de discant van de prestant 4 en de gehele octaaf 2. |
|
ning kwam precies overeen met de maten die Van Heurn in zijn orgelmakersboek uit 1805 beschrijft. De windlade werd teruggebracht naar de situatie van Leichel, wat inhield dat vele delen opnieuw moesten worden aangebracht. Tenslotte het visuele gedeelte van het orgel, u ziet een in imitatie-eikenhout geschilderde grenenhouten kast, die terug te voeren is op de Biedermeier-stijl, opvallend is daarbij het op- zetstuk op de kast, de zgn. attiek. Dit kenmerk is echter terug te voeren op de empireperiode van rond 1810 en herinnert aan de Italiaanse renaissance. Dit geldt tevens voor het front. Dit bevat een dubbel rondboog veld, steunend op drie klassieke kolommetjes, iets wat bij ons bekend is in de bouwwijze van de Utrechtse toogkasten en b.v. preekstoelen. Het leuke hiervan is dat deze vormentaal overal terug te vinden is in deze kerk.” (*): het orgel dat Witte voor deze kerk in 1886 bouwde |
Tot zover het citaat uit de lezing van dhr. Maarten Vos jr.
| Maarten Vos jr. schrijft over de dispositie:
“Oudewater, Oud-Katholieke kerk. Het orgel bezit de volgende dispositie: Bordun 8 Fuss, geheel larikshout ,maanopsneden, uitgelijmd met menieverf, kernen van eiken. Geheel uit 1870 en is typerend voor Leichel. Viola di Gambe 8 fuss, C tot H transmissie, c tot dis hout dezelfde makelij als de bordun, e tot f3 hoog tingehalte. Principal 4 fuss, C tot H Larikshout enge mensuur. |
Octav 2 fuss C tot Dis pijpwerk van Leichel, tinnen voeten, corpora hoog loodgehalte aangepast aan 18e eeuws materiaal. Op E staat vermeld: C sesquialtera 2 sterk deze pijp was dus de C van het 1 3/5 koor zonder repetitie in de bas. E tot f3 overwegend 18 eeuws enkele pijp Leichel of nieuw.Pijpstokken, roosters, slepen en dammen zijn nieuw gemaakt van oud fijn eikenhout. Magazijnbalg met eiken vouwen is mogelijk vroeg 19e eeuws, schepbalgen met trapinstallatie zijn nieuw. |
In 2008 werd het orgel te koop aangeboden. De parochie is in 2009 opgeheven. Voorlopig blijft de kerk nog in gebruik.
Dispositie:
Manuaal:
Bordun 8′,
Viola di Gambe 8′ – C-H gecombineerd met Bordun,
Principal 4′ – discant 18e eeuw,
Octaaf 2′ – 18e eeuw.











