Foto’s en info: Jean Telder © 2004
dispositie:
Gedekt 8′ (C – b red cedar, rest orgelmetaal)
Prestant 4′ (C – A in front)
Octaaf 2′
Regaal 8′
Roerfluit 4′ op wisselsleep met manuaal II (C – b red cedar, rest orgelmetaal)
Holpijp 8′ (C – b red cedar, rest orgelmetaal)
Roerfluit 4′ (C – B red cedar gedekt)
Fluit 2′ (C – B red cedar gedekt, c – b roerfluit, c – f ”’ open)
Nasard 2 2/3′ (C – B 1 13′)
Terts 1 3/5′ C – B 4/5′)
Bourdon 8′ (red cedar)
Kinderbas 2′ (= Quintadeen)
Sordun 16′ (eiken stevels, red cedar bekers)
manuaalkoppel b-d
pedaal aan I
pedaal aan II
tremulant
pedaal: C – d’
orgelmetaal: 95 % lood (front 80 %)
stemming: a = 440 Hz bij 20 gr. C.( Werckmeister III, gemodificeerd ( b is getempereerd tussen e en fis)
De orgelkas is, evenals de meeste orgelonderdelen, gemaakt uit massief eiken. De kastpanelen zijn van hechthout, dit in verband met verwarmingsproblemen.
Alle onderdelen zijn in eigen beheer vervaardigd waar mogelijk.
De twee magazijnbalgen, geplaatst onder in de kas, zijn van eiken, de kanalen van hechthout. Windmachine staat separaat opgesteld.
Winddruk eerste balg 65 mm, tweede balg, speelwind, 62 mm WK
De klavieren zijn als staartklavier gebouwd.
Alle houten pijpwerk vervaardigd in eigen beheer.
De mensurering is afgeleid van een fraai groot huisorgel van Vool (1805) voor wat betreft de Holpijp. Alle andere stemmen zijn hiervan afgeleid.
De intonatie is doelbewust kamermuzikaal, daar anders de klank van een orgel met deze omvang in de huiskamer vlug te vermoeiend is. Doelbewust is afgezien van het disponeren van een Subbas 16′ en een Quint 1 1/3′, daar deze stemmen in een te kleine ruimte niet tot ontwikkeling kunnen komen.
Het is een studieorgel waarop vele werken uit de orgelliteratuur uitstekend te spelen zijn, voor concerten in eigen huis is het een uitstekend instrument omdat het niet vermoeiend is om naar te luisteren.”
Jean Telder is in 2013 overleden. Het huisorgel is tegenwoordig in het bezit van Tjalling Roosjen.




