Utrecht, Domkerk, Hoofdorgel

Het oude Domorgel in de Domkerk aan het Domplein 31 in Utrecht (Utrecht) uit 1571 werd in de jaren 1825-1831 vervangen door het huidige instrument. Het nieuwe mechanische sleepladen-orgel is gebouwd door Jonathan Bätz, die in die periode samenwerkte met zijn broer Johan Martin Willem Bätz. Een groot gedeelte van het pijpwerk (ruim een kwart) is nog afkomstig uit het oude orgel. Dit instrument werd in 1826 afgebroken. De orgelkas is ontworpen door architect Tieleman Franciscus Suys (1783-1861), en viel niet bij Bätz in de smaak. Suys heeft in 1825 een nieuwe westelijke afsluiting van de Dom ontworpen, waarin de balgenkamer werd geplaatst. Op 20 mei 1831 werd het nieuwe orgel door B. Tours, J. Vergouw en Frederik Nieuwenhuijsen gekeurd. Het instrument is op 25 mei 1831 officieel ingespeeld door Frederik Nieuwenhuijsen. Nieuwenhuijsen was domorganist sinds 1779, en hij had een belangrijke stem gehad in de samenstelling van de dispositie en de opbouw van het nieuwe orgel. Het orgel van de Dom is in 1844 door Aristide Cavaillé-Coll bezocht, die diep onder de indruk was van de kwaliteit en de klankrijkdom van het werk van Bätz.

In 1863 heeft Christian Gottlieb Friedrich Witte aan het orgel gewerkt. Hij stelde voor om de Trompet 8′ van het Hoofdwerk opnieuw te intoneren, de deling van de koppeling Hoofdwerk – Bovenwerk op te heffen en de Sexquialter IV sterk te vervangen door een Cornet V sterk op een bank boven de lade. Deze voorstellen werden goedgekeurd en in 1865 gerealiseerd. In 1865 werd de orgelkas in imitatie-eiken geschilderd. Johan Frederik Witte restaureerde het orgel in 1894 en 1895. Op verzoek van organist Johan Wagenaar veranderde Witte de intonatie van het orgel ingrijpend.

De firma J.de Koff nam het onderhoud in 1902 over. Deze firma plaatste in 1911 het Bovenwerk in een zwelkast. Er werden ook nogal wat dispositiewijzigingen aangebracht. Op het Rugwerk verving De Koff de Tousijn 8′ (van De Swart) door een Hobo en de Fluit 2′ (ook uit 1571) door een Fernfluit 8′. De Hoofdwerktrompet werd vernieuwd, en op het Hoofdwerk moesten de Woudfluit 2′ en de Gemshoorn 4′ plaatsmaken voor een Violon 8′ en een Flûte Harmonique 4′. Het Bovenwerk kreeg een doorslaande Clarinet 8′ in plaats van de Vox Humana en een Voix Céleste in plaats van de Roerquint. Vanaf 1935 werd de Domkerk gerestaureerd, waarbij de aanbouw uit 1825 werd afgebroken. De windvoorziening werd nu onder in de orgelkas geplaatst. Deze werkzaamheden werden in 1938 uitgevoerd door de firma De Koff.

Het orgel is in de jaren 1973-1975 door de firma Van Vulpen volledig gerestaureerd, geadviseerd door dr. Maarten Vente. De oorspronkelijke dispositie is gereconstrueerd. Veel pijpwerk is gemaakt naar voorbeeld van pijpwerk uit het orgel van de Ronde Lutherse Kerk in Amsterdam. De Tousijn werd gereconstrueerd naar berekeningen door Jan van Biezen. Voor de verdwenen stemmen van Pieter de Swart werden kopieën gemaakt van pijpwerk uit het orgel van de Hooglandse Kerk in Leiden. De zwelkast uit 1911 is gehandhaafd. De tremulant van het Bovenwerk uit 1936 is verbeterd, terwijl op het Rugwerk een nieuwe tremulant werd geplaatst. Op 7 juni 1975 nam men het instrument feestelijk in gebruik. Na de officiële overdracht heeft Stoffel van Viegen een concert gegeven.

Het orgel heeft circa 3700 pijpen, 50 stemmen, 3 manualen en een vrij pedaal. De stemmingstemperatuur is gelijkzwevend. De winddruk is 78 mm, Hoofdwerk 80 mm.

De dispositie van het Bätz-orgel (met ouder pijpwerk) 1831:

HOOFDWERK (C – f3) 54 TOETSEN: Prestant 16′ – 1831; discant dubbelkorig, Bourdon 16′, Octaaf 8′ – 1831; discant dubbelkorig, Roerfluit 8′, Octaaf 4′ – 1831; discant dubbelkorig, Gemshoorn 4′, Quint 3′ – 1831; discant dubbelkorig, Octaaf 2′ – 1831; discant dubbelkorig, Woudfluit 2′, Sexquialter IV sterk (2 2/3′) (discant) – 1975, Mixtuur IV-VIII sterk (2′) (B/D) – 1831, Fagot 16′ – 1831, Trompet 8′ – 1975.
RUGWERK (C – f3) 54 TOETSEN: Prestant 8′ – 1831; discant dubbelkorig, Holpijp 8′, Quintadeen 8′, Octaaf 4′ – 1571; discant dubbelkorig, Roerfluit 4′ – ca. 1700, Quint 3′ – 1571; discant dubbelkorig, Octaaf 2′ – 1571; discant dubbelkorig, Fluit 2′, Cornet V sterk (8′) (discant) – 1831, Mixtuur III-VI sterk (2′), Scherp III-IV sterk (1 1/3′), Trompet 8′, Touzijn 8′ (B/D) – 1975, Tremulant.
BOVENWERK (IN ZWELKAST) (C – f3) 54 TOETSEN: Prestant 8′, Holpijp 8′, Baarpijp 8′, Viola di Gamba 8′, Fluit Travers 8′ (from c°) – 1831, Octaaf 4′, Openfluit 4′, Roerquint 3′, Gemshoorn 2′, Flageolet 1′, Carillon III sterk (4′) (from f°) – 1831, Echotrompet 8′, Vox Humana 8′ (B/D) – 1975, Tremulant.
De zwelkast dateert uit 1911.
PEDAAL (C – d1) 27 TOETSEN: Prestant 16′ – 1831; C-A dubbelkorig, Open Subbas 16′, Octaafbas 8′, Fluitbas 8′, Roerquint 6′ – ca. 1700, Octaaf 4′ – 1571, Mixtuur IV sterk (2 2/3′) – 1571, Bazuin 16′ – 1831, Trombone 8′ – 1831, Trompet 4′ – 1831, Cinq 2′ – 1831.
KOPPELINGEN: Hoofdwerk – Rugwerk, Hoofdwerk – Bovenwerk, Rugwerk – Hoofdwerk, Pedaal – Hoofdwerk, Pedaal – Rugwerk.

Vulstem Samenstelling
Sexquialter IV sterk (Hoofdwerk) c’: 2 2/3′ – 2 2/3′ – 1 3/5′ – 1 3/5′.
Mixtuur IV-VIII sterk (Hoofdwerk) C: 2′ – 1 1/3′ – 1′- 2/3′. c°: 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′ – 1′- 1′. c’: 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′. c”: 5 1/3′ – 5 1/3′ – 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′.
Cornet V sterk (Rugwerk) c’: 8′ – 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 3/5′.
Mixtuur III-VI sterk (Rugwerk) C: 2′ – 1 1/3′ – 1′. c°: 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′. c’: 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′.
Scherp III-IV sterk (Rugwerk) C: 1 1/3′ – 1′ – 2/3′. c°: 2′ – 1 1/3′ – 1′. c’: 2 2/3′ – 2′- 1 1/3′ – 1′. c”: 4′ – 2 2/3′ – 2′- 1 1/3′.
Mixtuur IV sterk (Pedaal) C: 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′ – 1′.
Carillon III sterk, vanaf f (Bovenwerk) f°: 4′ (gedekt) – 1 3/5′ – 1′. c”’: 4′ (met roeren) – 1 3/5′ – 1′.