Foto’s: © Wim Verburg
In 1686 stortte de toren van de Grote Kerk in waarbij het orgel uit 1505/1641 geheel werd verwoest. Dit was in 1505 gebouwd door Jan van Covelen. Na de restauratie van de kerk, waarbij geen nieuwe toren meer werd gebouwd, werd in 1710 besloten een nieuw orgel te laten bouwen. In 1718 gaven ze de opdracht aan Arp Schnitger, die zijn orgelmakerij naar Zwolle verplaatste. Hij begon met de werkzaamheden, samen met zijn zoons Franz Casper en Johan Georg. Het moest een driemanuaals orgel worden met vrij pedaal en 46 stemmen. In 1719 was Arp Schnitger overleden, en zijn zoon Franz nam de leiding in het bedrijf over. Hij stelde voor om het orgel uit te voeren met een vierde klavier in de vorm van een borstwerk. De overheid stemde hier mee in, en zo werd in 1721 een orgel opgeleverd met 63 stemmen, verdeeld over vier manualen en een vrij pedaal. De kas is een ontwerp van Jurriaan Westerman. Het instrument werd op 30 september 1721 overgedragen.
Het onderhoud van het orgel werd uitgevoerd door Franz Casper Schnitger, daarna door Albertus Anthonie Hinsz, en daarna weer van Franz Casper Schnitger jr. Na het overlijden van deze laatste raakte het orgel ‘uit de familie’ (1799). A. van Gruizen voerde enkele kleine wijzigingen door in 1790 en 1816. Maar de eerste grote verbouwing vond plaats in 1837. Petrus van Oeckelen vernieuwde toen de blaasinrichting, maar verving ook twaalf registers door andere.
J.C. Scheuer verving in 1853 de Vox Humana 8′. Zijn opvolger J. van Loo veranderde weer enkele stemmen in 1867. Hij heeft het orgel ook opnieuw geïntoneerd. Van Oeckelen werkte weer aan het instrument in 1883, en verving een tiental stemmen, waaronder de meeste tongwerken. Hij schoof alle labialen een halve toon op, en maakte nieuwe pijpen voor de C. Een laatste ingreep werd in 1925 uitgevoerd door P. van Dam. Het rugwerk werd in een zwelkast geplaatst, en er werden twee registers bijgeplaatst (Aeoline 8′ en Vox Humana 8′). Het pedaal werd vergroot met een Quintbas 10 2/3′. In 1936 is de toetstractuur door Sanders elektrisch gemaakt. Er werden hierna plannen gemaakt om de registertractuur en de koppelingen ook elektrisch te maken.
Er waren in 1946 vergevorderde plannen voor een restauratie door de firma Pels & Zn., waarbij een vrijstaande elektrische speeltafel zou worden geplaatst, en de omvang van de manualen zou worden vergroot. Vanwege het grote protest tegen deze ingreep, ging dit uiteindelijk niet door.
In 1950 werd besloten om het orgel zeer grondig te restaureren, en de dispositie van Schnitger zoveel mogelijk te reconstrueren. De opdracht werd gegeven aan D.A. Flentrop. Deze gebruikte al het Schnitger-pijpwerk. Alleen de Viola 8′ bleef van het latere werk over (1837, Van Oeckelen). De ontbrekende registers werden nieuw gemaakt aan de hand van mensuurtabellen en vergelijkingen met andere orgels van Schnitger. In 1956 was de restauratie gereed, die vier jaar duurde. Op 27 september 1956 werd het orgel weer in gebruik genomen met een concert door George Stam, Adriaan C. Schuurman en Anthon van der Horst.
In 1988 is het orgel grondig schoongemaakt, en zijn alle tongwerken herzien en opnieuw geïntoneerd. In 2013 zijn de balgen gerestaureerd door de firma Flentrop. Deze werkzaamheden waren in september 2013 voltooid. De originele trapinstallatie is ook in functie hersteld.
Op 8 september 2018 is het startsein gegeven voor een grote restauratie van het orgel door de firma Flentrop. Adviseur is Cees van der Poel. Doelstelling is het orgel zowel in- als uitwending terug te brengen naar de oorspronkelijke staat. Het binnenwerk is in 2018 gedemonteerd. De restauratie is begonnen in april 2022. De geheel herstelde en opnieuw geschilderde orgelkas met de frontpijpen werd in januari 2023 teruggeplaatst. Op 22 maart 2025 werd het rugpositief weer in gebruik genomen met een feestelijke bijeenkomst en een bespeling door Toon Hagen en Cees van der Poel.
In het voorjaar van 2026 besloot men dat het orgel zal worden gestemd in een Michaëlstemming, afgeleid van de Nordenstemming, zoals aanwezig in het orgel van de Ludgeruskirche in Norden.
De dispositie van het Schnitger 1721 / Flentrop 1956 orgel tot 2022:
HOOFDWERK C – c3) 49 TOETSEN: Praestant 16, Quintadena 16, Octaav 8, Roerfluit 8, Octaav 4, Speelfluit 4, Nasaat 3, Superoctaav 2, Ruyschpijp II, Mixtuur VI, Cimbel III, Trompet 16, Trompet 8, Vox Humana 8.
RUGWERK (C – c3) 49 TOETSEN: Praestant 8, Roerfluit 8, Quintadena 8, Octaav 4, Fluit 4, Quintfluit 3, Superoctaav 2, Scherp IV, Cimbel III, Sexquialtera II, Fagot 16, Schalmey 8, Tremulant.
ONDERWERK (C – c3) 49 TOETSEN: Praestant 8, Holpijp 8, Viola 8, Quinta 6, Octaav 4, Holfluit 4, Quinta 3, Superoctaav 2, Woudfluit 2, Siflet 1, Scherp V, Tertiaan II, Viola di Gamba 8, Trompet 4.
BORSTWERK (C – c3) 49 TOETSEN: Fluitgedekt 8, Praestant 4, Roerfluit 4, Spitsfluit 3, Superoctaav 2, Gemshoorn 2, Quintanus 1 1/2, Flageolet 1, Mixtuur IV, Sexquialter II, Dulciaan 8, Regaal 8, Tremulant.
PEDAAL (C – d1) 27 TOETSEN: Praestant 16, Subbas 16, Octaav 8, Holpijp 8, Superoctaav 4, Vlakfluit 2, Mixtuur VIII, Fagot 32, Bazuin 16, Trompet 8, Trompet 4, Cornet 2.
KOPPELINGEN: Hoofdwerk – Rugwerk, Hoofdwerk – Onderwerk, Hoofdwerk – Borstwerk, Bovenwerk – Borstwerk, Pedaal – Hoofdwerk.
SPEELHULPEN: Tremulant op Hoofdwerk, Bovenwerk en Borstwerk.
| Vulstem | Samenstelling |
| Mixtuur VI sterk (Hoofdwerk) | C: 1 1/3′ – 1′ – 2/3′ – 1/2′ – 1/3′ – 1/4′. G: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 2/3′ – 1/2′ – 1/3′. c°: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′ – 1/2′. g°: 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′. c’: 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 2/3′. g’: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′. c”: 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′. |
| Ruyschpijp II sterk (Hoofdwerk) | C: 2′ – 1 1/3′. |
| Cimbel III sterk (Hoofdwerk) | C: 1/5′ – 1/6′ – 1/8′. F: 1/4′ – 1/5′ – 1/6′. c°: 2/5′ – 1/3′ – 1/4′. f°: 1/2′ – 2/5′ – 1/3′. c’: 4/5′ – 2/3′ – 1/2′. f’: 1′ – 4/5′ – 2/3′. c”: 1 3/5′ – 1 1/3′ – 1′. f”: 2′ – 1 3/5′ – 1 1/3′. |
| Sexquialtera II sterk (Rugwerk) | C: 1 1/3′ – 4/5′. c°: 2 2/3′ – 1 3/5′. |
| Scherp IV sterk (Rugwerk) | C: 1/2′ – 1/3′ – 1/4′ – 1/6′. Fìs°: 2/3′ – 1/2′ – 1/3′ – 1/4′. c°: 1′ – 2/3′ – 1/2′ – 1/3′. fìs°: 1 1/3′ – 1′ – 2/3′ – 1/2′. c’: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 2/3′. fis’: 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′ – 1′. c”: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′. |
| Cimbel III sterk (Rugwerk) | C: 1/6′ – 1/8′ – 1/10′. F: 1/5′ – 1/6′ – 1/8′. c°: 1/3′ – 1/4′ – 1/5′. f°: 2/5′ – 1/3′ – 1/4′. c’: 2/3′ – 1/2′ – 2/5′. f’: 4/5′ – 2/3′ – 1/2′. c”: 1 1/3′ – 1′ – 4/5′. f”: 1 3/5′ – 1 1/3′ – 1′. |
| Tertiaan II sterk (Bovenwerk) | C: 4/5′ – 2/3′. c°: 1 3/5′ – 1 1/3′. |
| Scherp V sterk (Bovenwerk) | C: 2/3′ – 1/2′ – 1/3′ – 1/4′ – 1/6′. Fìs°: 1′ – 2/3′ – 1/2′ – 1/3′ – 1/4′. c°: 1 1/3′ – 1′ – 2/3′ – 1/2′ – 1/3′. fìs°: 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′ – 1/2′. c’: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′. fis’: 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1′. c”: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′. f”: 4′ – 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′. |
| Sexquialtera II sterk (Borstwerk) | C: 2/3′ – 4/5′. c°: 1 1/3′ – 4/5′. c’: 2 2/3′ – 1 3/5′. |
| Mixtuur III-IV sterk (Borstwerk) | C: 1/2′ – 1/3′ – 1/4′. c°: 1′ – 2/3′ – 1/2′. c’: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 2/3′. c”: 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1′. fis”: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′. |
| Mixtuur VIII sterk (Pedaal) | C: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′ – 1/2′ – 1/2′ – 1/3′. G: 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′ – 2/3′ – 1/2′ – 1/2′. c°: 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′ – 2/3′ – 2/3′. g°: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 2′ – 1 1/3′ – 1 1/3′ – 1′ – 1′. |








