Lüneburg, Evangelische Hauptkirche Sankt Nicolai

Foto’s: Stefan Braun (Köln) © 2026

Het orgel, dat als een belangrijk klankmonument wordt beschouwd, werd in 1899 gebouwd door Furtwängler & Hammer (Hannover). In 1917 moesten de frontpijpen worden ingeleverd ten behoeve van de oorlogsindustrie. In 1930, 1946 en 1955 onderging het ingrijpend klankmatig veranderingen in de geest van de orgelreformbeweging. In 1980 werd een renovatie uitgevoerd door Walcker (Ludwigsburg, Duitsland): het windsysteem werd vernieuwd, de tractuur werd geëlektrificeerd, een nieuwe, vrijstaande speeltafel werd geïnstalleerd en het hele orgel werd opnieuw geïntoneerd. Na verdere ontwikkelingen in de begrip van romantische orgelbouwtechnieken en klankontwerp, werd een reconstructieve restauratie uitgevoerd door Orgelbau Lenter (Löchgau, Duitsland) om het orgel in zijn oorspronkelijke staat te herstellen. Dit omvatte de reconstructie van de pneumatische tracturen, de heractivering van de originele speeltafel etcetera. Het orgel heeft III / 48 P + 1 transmissie op kegelladen met pneumatische tractuur voor zowel de toetsen als de registers. Het III. manuaal bevindt zich in de zwelkast, waarin ook de 16′-Gedecktbass van het pedaal is ondergebracht. Naast de normale koppelingen zijn er sub-, super- en melodiekoppelingen, een crescendo-zwelpedaal, vaste combinaties die verschillen in volume, en andere speelhulpen.

Dispositie:

HAUPTWERK (C – f3) 54 TOETSEN: Principal 16′, Bordun 16′, Major-Principal 8′, Gamba 8′, Gemshorn 8′, Hohlflöte 8′, Groß-Gedeckt 8′, Octave 4′, Rohrflöte 4′, Quinte 2 2/3′, Octave 2′, Cornett 3-4 fach, Mixtur 3-4-5 fach, Tuba 16′ – 2002, Trompete 8′.
POSITIV (C – f3) 54 TOETSEN: Lieblich Gedeckt 16′, Minor-Principal 8′, Viola 8′, Quintatön 8′, Gedecktflöte 8′, Dolce 8′, Principal 4′, Harmonieflöte 4′, Progressivharmonica 2-3 fach, Oboe 8′.
SCHWELLWERK (C – f3) 54 TOETSEN: Salicet 16′, Geigen-Principal 8′, Salicional 8′, Concertflöte 8′, Harmonieflöte 8′, Gedeckt 8′, Aeoline 8′, Vox Celestis 8′, Fugara 4′, Zartflöte 4′, Harmonika-Aetherea 3-4 fach, Clarinette 8′.
PEDAL (C – f1) 30 TOETSEN: Principalbass 32′, Contrabass 16′, Violon 16′, Subbass 16′, Gedecktbass 16′ – in Schwellwerk, Quintbass 10 2/3′, Octavbass 8′, Cello 8′, Bassflöte 8′, Octave 4′, Posaune 16′, Trompete 8′ – 2002; transmissie.
KOPPELINGEN: Hauptwerk – Positiv, Hauptwerk – Schwellwerk, Positiv – Schwellwerk, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Positiv, Pedal – Schwellwerk, Melodiekoppel, Bassoctavkoppel Hauptwerk – Positiv, Octavkoppel Pedal, Generalkoppel.
SPEELHULPEN: Rohrwerkabsteller, Kalkantruf, Prolongement – 2002, Tutti, Forte, Mezzoforte, Piano, Pianissimo, Registerschweller.