Rotterdam, Grote Kerk Overschie

Foto’s: Bert Wisgerhof © 2009

Op 9 maart 1899 brandde de Grote Kerk te Overschie geheel af. Ook het fraaie orgel van Kam & Van der Meulen uit 1862 ging hierbij verloren. Architect B. Hooykaas Bzn. ontwierp een nieuw kerkgebouw in moderne stijl, met een toren die was afgeleid van de oude. Toen de kerk vrijwel gereed was kregen de Rotterdamse orgelmakers J. en G. van der Kleij de opdracht voor de bouw van een orgel, waarvan het front ook door Hooykaas werd ontworpen. Het was in 1910 klaar, en werd op 12 mei 1910 in gebruik genomen met een concert door Johan Gredt, organist van de kerk. Boven het oorspronkelijke bestek werden een Prestant 16′ en een Octaaf 4′ geplaatst. De onderdelen zijn gekocht bij de Duitse firma Laukhuff. In 1931 werd het orgel voorzien van een windmotor. Een eerste revisie had plaats in 1947-1949 door de firma H. Vermeulen uit Overschie, hierbij geadviseerd door André Verwoerd, organist van de kerk. Vermeulen voegde enkele vulstemmen toe aan het tweede klavier en ook werd de Violon van het Pedaal vervangen door een Fluit 2′. In de jaren zeventig bleek het instrument steeds minder goed te functioneren. Een grote restauratie was dan ook noodzakelijk. De firma Tiggelman kreeg de opdracht, en in 1982 kon het geheel hernieuwde orgel weer in gebruik worden genomen. In 2007-2009 is het orgel grondig gerestaureerd door Kaat & Tijhuis. Adviseur bij de werkzaamheden was Peter van Dijk. De oorspronkelijke dispositie is hierbij vrijwel hersteld. Het ontbrekende pijpwerk werd overgenomen uit het afgebroken Pels-orgel uit 1931 van de basiliek in Raalte, eveneens vervaardigd door Laukhuff. Op 21 maart 2009 is het weer in gebruik genomen. De stemmingstemperatuur is evenredig zwevend, de winddruk is 95 mm (manualen) / 110 mm (pedaal, front en discant Prestant 16′) en de toonhoogte is a’ = 440 Hz.

Dispositie:

Hoofdwerk: C – f3 Prestant 16′ – 1910/1949/2008; C-h transmissie van pedaal, Prestant 8′, Roerfluit 8′, Octaaf 4′, Fluit 4′ – 1931; vanaf c’ overblazend, Quint 2 2/3′, Octaaf 2′, Cornet IV sterk (4′) (discant), Mixtuur III-IV sterk (2′) – 1910/2008, Trompet 8′.
Zwelwerk: C – f3 Holpijp 8′, Viola 8′ – 1910/1931, Céleste 8′ (vanaf c°) – 1931, Roerfluit 4′, Nasard 2 2/3′ – 1931, Gemshoorn 2′ – 1910/1931, Carillon III sterk (8′) (discant) – 1910/1931, Dulciaan 8′, Tremulant.
Pedaal: C – d1 Prestant 16′, Subbas 16′, Octaaf 8′, Violon 8′ – 1931, Octaaf 4′, Bazuin 16′ – 2008, Trombone 8′.
Koppelingen: Manuaal I – Manuaal II, Pedaal – Manuaal I, Pedaal – Manuaal II.
Speelhulpen: Vaste combinaties (p – mf – f – tutti), Handregisters af.

Vulstem Samenstelling
Mixtuur III-V sterk (Hoofdwerk) C: 2′ – 1 1/3′ – 1′. c°: 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′ – 1′. c”: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 1/3′. c”’: 5 1/3′ – 4′ – 2 2/3′ – 2′.
Cornet IV sterk (Hoofdwerk) C: 4′ – 2 2/3′ – 2′ – 1 3/5′.
Carillon III sterk (Zwelwerk) C: 8′ – 4′ – 1 3/5′.