Grömitz, Evangelische Sankt Nikolaikirche

Foto’s: Stefan Braun (Köln) © 2026

Voor Nederlands: Zie onder Duitse tekst

Deutsch:

Die Orgel wurde unter Übernahme einzelner Register aus der Vorgängerorgel von 1615 im Jahr 1742 von Conrad Bünting (Lübeck) gebaut und einige Jahre später von ihm nochmals umgebaut; sie besaß seitdem II / 20 P. Das Gehäuse ist bis heute erhalten, ebenso die Register Gedackt 8‘ und Flojte 4‘. Im 19. Jhd. wurde die Orgel umgebaut und erheblich verändert und war 1860 nicht mehr spielbar. Erst 1923 erfolgte eine Instandsetzung mit Dispositionsänderung. Emanuel Kemper (Lübeck) führte 1954 eine Re-Barockisierung durch, die jedoch wenig erfolgreich war. 1960 wurde die ursprüngliche farbliche Fassung des Gehäuses wiederhergestellt. 1976 und in den Folgejahren nahm Orgelbau Von Beckerath (Hamburg) eine umfassende Restaurierung vor; seitdem II / 19 P. Schließlich erfolgte 1993 ein „technischer Neubau“ einschließlich Erweiterung der Orgel auf III / 25 durch Bruno Christensen & Söhne (DK-Tinglev). Die Orgel hat Schleifladen mit mechanischer Spieltraktur und Doppeltraktur für die Register.

Nederlands

Het instrument werd in 1742 gebouwd door Conrad Bünting (Lübeck) — die diverse registers uit het voorgangerorgel van 1615 overnam — en enkele jaren later door hemzelf herbouwd; sindsdien beschikte het over II / 20 P. De orgelkas is tot op de dag van vandaag bewaard gebleven, ook de registers 8’-Gedackt en Flojte 4’. In de 19e eeuw onderging het orgel een reconstructie en ingrijpende wijzigingen, waardoor het rond 1860 onbespeelbaar was geworden. Pas in 1923 werd een restauratie uitgevoerd, waarbij ook de dispositie werd gewijzigd. In 1954 voerde Emanuel Kemper (Lübeck) een “reconstructie naar een meer barok karakter” van het instrument uit, zij het met beperkt succes. In 1960 werd de oorspronkelijke polychrome beschildering van de orgelkas gerestaureerd. Vanaf 1976 — en in de daaropvolgende jaren — voerde Orgelbau Von Beckerath (Hamburg) een omvangrijke restauratie uit; sindsdien omvat de dispositie 19 stemmen, 2 manualen en een vrij pedaal. Ten slotte werd in 1993 een “technische nieuwbouw” uitgevoerd door Bruno Christensen & Söhne (Tinglev, Denemarken), waarbij het orgel werd uitgebreid met een zwelwerk tot III manualen, 25 stemmen en een vrij pedaal. Het orgel beschikt over sleepladen met mechanische toetsentractuur en een dubbele registertractuur (mechanisch-elektrisch).

Dispositie:

HAUPTWERK (II. MANUAL) (C – g3) 56 TOETSEN: Prinzipal 8′, Koppelflojte 8′, Oktav 4′, Spidsflojte 4′, Nasat 2 2/3′, Gemshorn 2′, Mixtur 4-5 fach, Trompet 8′.
RÜCKPOSITIV (I. MANUAL) (C – g3) 56 TOETSEN: Gedackt 8′, Prinzipal 4′, Flojte 4′, Oktav 2′, Sesquialter 2 fach, Scharf 3 fach, Tremolo.
SCHWELLWERK (III. MANUAL) (C – g3) 56 TOETSEN: Rorflojte 8′, Salicional 8′, Voce Celeste 8′, Traversflojte 4′, Oktav 2′, Obo 8′, Tremolo.
PEDAL (C – f1) 30 TOETSEN: Subbas 16′, Oktavbas 8′, Koralbas 4′, Hintersatz 4 fach, Fagot 16′.
KOPPELINGEN: Hauptwerk – Rückpositiv, Hauptwerk – Schwellwerk, Pedal – Hauptwerk, Pedal – Rückpositiv, Pedal – Schwellwerk.