Köthen (Anhalt), Evangelische Sankt Jakobikirche, Hoofdorgel

Foto: Ansichtkaart

In 1872 bouwde Friedrich Ladegast opus 60. Een nieuw mechanisch sleepladen-orgel met 3 klavieren en pedaal voor de Evangelische Sankt Jakobikirche in Köthen (Sachsen-Anhalt). Het orgel kon gebouwd worden dankzij een opdracht van de burgemeester van de stad, die het oude orgel van Zacharias Thayßner uit 1676 wilde vervangen omdat het niet meer bij de tijd was. Op 2 augustus 1872 werd het nieuwe orgel door Eduard Thiele uit Dessau gekeurd. Op 15 september volgde de officiële ingebruikneming. In 1903 werd het orgel gedemonteerd en opgeslagen wegens werkzaamheden aan de toren. Oskar Ladegast heeft het hierna weer opgebouwd. Hij verving op het pedaal de Quint 10 2/3′ door een Gedeckt 16′ en wijzigde de Aeoline 16′ van het Schwellwerk in een 8′. Alexander Schuke heeft in 1953 reparaties uitgevoerd. Een voorgestelde dispositiewijziging werd niet uitgevoerd. Wel echter in 1972, toen Rudolf Kühn het orgel gereviseerd heeft. Hij verving de Gedeckt 16′ van het pedaal door een Rauschpfeife 2 fach, en op het Oberwerk en Schwellwerk werden de Aeoline en de Progressivharmonika vervangen door een Quinte 1 1/3′ en een Scharf 3-4 fach. Verder werd een deel van het originele pijpwerk vernieuwd. In de jaren 1991 tot 2002 heeft Christian Scheffler aan het orgel gewerkt. De oorspronkelijke situatie werd stapje voor stapje weer hersteld.

Dispositie:

Hauptwerk: C – f3 Principal 16′, Bordun 16′, Principal 8′, Viola di Gamba 8′, Doppelflöte 8′, Flauto Amabile 8′, Nasard 5 1/3′, Octave 4′, Rohrflöte 4′, Gemshorn 4′, Quinte 2 2/3′, Octave 2′, Terz 1 3/5′, Mixtur 4-5 fach (2′), Cornett 2-4 fach, Trompete 8′.
Oberwerk: C – f3 Gedackt 16′, Geigenprincipal 8′, Quintatön 8′, Salicional 8′, Rohrflöte 8′, Octave 4′, Flauto Minor 4′, Nasard 2 2/3′, Octave 2′, Piccolo 2′, Progressivharmonika 2-4 fach (2′) – 1998, Oboe 8′.
Schwellwerk: C – f3 Lieblich Gedackt 16′ (vanaf c°), Lieblich Gedackt 8′, Viola d’Amour 8′, Flauto Traverso 8′, Zartflöte 4′, Fugara 4′, Flautino 2′, Aeoline 16′ – 1998; tongwerk.
Pedal: C – d1 Violon 32′, Principalbaß 16′, Violon 16′, Subbaß 16′, Gedackt 16′ – 1998, Octavbaß 8′, Cello 8′, Baßflöte 8′, Octave 4′, Posaune 16′, Trompete 8′.
Koppelingen: Hauptwerk – Oberwerk, Hauptwerk – Schwellwerk, Pedal – Hauptwerk.
Speelhulpen: Barkermachine, Sperrventile für Manuale, Pedaltritte zum Echowerk.